Meteen naar de inhoud

Reisherinneringen van Harm Boom (4).

“Duizend pond sterling voor een kromme straat!” – riep een Engelschman, toen hij in zekere stad van Duitschland van de eene eindeloos-regte straat in de andere stapte en overal het mikpunt was der heete Julij-zon. “Duizend pond sterling voor een kronkel of wat in de vaart!” zou hij bieden, als hij langs een onafzienbaar kanaalpand wandelde, geen windje het water deed rimpelen en de zon hem tot haar slagtoffer maakte. Langzaam wandelde ik langs een vrij groot gedeelte der Dedemsvaart, van de Ligtmis tot aan het Veenschut. Het landgoed Rollecate met zijn tuinen en prachtige crinoline-dennen en eikengeboomte lag aan de overzij van het kanaal toen ik de laatste g roep boomen tegen mij over had, gaf ik aan die lagchende schepping van onze eeuw een afscheidsgroet (19).

Trekkracht

’t Kanaal werd verlevendigd door linieschepen, fregatten, korvetten, drijvende turfbergen, alsmede door kleinere vaartuigen, die wel een naam hebben onder de schipperij en veenbewoners en in ’s Lands kohieren, maar die voor mij tot de geheimenissen behooren. Hier werd er één getrokken door een paard. Zijn meester liep er naast. Geen van beiden naam eenige notitie van ’t geen er op dit wereldrond voorviel. Of de man ergens aan dacht, of het paard filosofeerde, of beiden in totale absentie van idee’s naast elk elkander gingen – ik weet het niet.

De scheepsjager.

’t Paard deed zijn pligt met verwonderlijk juist afgemeten tred en de drijver – neen, dat was hij niet – zijn mentor had niets anders te doen dan nu en dan eene handhabiliteit met de treklijn uit te voeren als een schip passeerde. Maar niet overal werd paardentrekkracht gebruikt. Nu en dan zag ik een man in’t gareel, terwijl de vrouw aan ’t roer stond of de man aan ’t roer en zijne ribbe in half voorover hangende houding de houten arke voorttrekkende (20).

Hoe de soms tengere armen door den lederen gordel die de borst ineen drukte, werden verwrongen! In mijne verbeelding zag ik naast deze dienende Martha de vrouw van voornamen huize, in half liggende houding in een open rijtuig op een wandelrit door ’t Haagsche Bosch rijden, terwijl hare hand met de blonde lokken van haar dochter speelde. En hier liep een meisje, half ontkleed ook met een zeel om de schouders, een eindje voor haar moeder aan en hielp haar trekken. Welk een ijver bij de kleine! 0, ik zag met genoegen hoe de moeder soms het touw tusschen haar en haar kind eenige speling gaf en zoo de jeugdige kracht spaarde. Altijd hinderde het mij, als ik een dikken kapitein tegen het reur zag leunen, terwijl zijnen vrouw, een moeder, met het hoofd ter aarde gebogen, in zwaren telgang het logge, zware vaartuig over den waterspiegel deed drijven. Zij is de huwelijksboot, hier het turfschip, ingestapt, welligt onder vrolijk gejuich en wie weet met welke zoete droomen! Het kleine salon, daar aan ’t roer, is ook hare kraamkamer geworden en zij zat wel eens met een lievelinge op het dak en koesterde haar tegen regen en wind, opdat het kient groot en gezond mogt worden en kracht zou hebben – om spoedig in de lijn te gaan. ’t Kind kon dan uitwinnen wat het loon zou zijn van een paard! Maar wat ik dacht, werd welligt door de moeder niet gedacht. Zij vervulde een gedeelte van hare levenstaak en als het straks hare beurt is om op het dek te midden harer kinderen de naald te hanteeren, terwijl de gebieder van het vaartuig aan het roer staat en een tevreden oog op zijn gezin laat rusten – zou het dan ook wezen kunnen, dat de dame in ’t Haagsche Bosch minder rijk was dan de schippersvrouw? Haar kleine schat was in de houten woning, die daar zachtkens henendreef, haar zoo goed als een koningrijk, en buiten boord was er misschien niets dat haar kwelle en bekommerde – zij, die daar rondreed in de schoone dreven van het woelige Haagsche Hout, had ook een huis, maar in dat huis ook haar schat? Elke medaille heeft twee zijden. Straks de vrouw in de lijn, gelijk aan een trekdier – nu die vrouw als gelukkige moeder in ’t midden harer kinderen. Geluk en verdriet – beiden zijn overal. Welzalig die het eerste weet te waardeeren en in stilheid er dankbaar voor is die het laatste weet te dragen zonder morren en, strijdende tegen de ongunst des tijds, de hoop niet verliest op betere dagen.

Ommerschans

In bespiegelingen verzonken en toch voortwandelende, had ik het punt bereikt, waar eene brug mij herinnerde, dat ik mij in de nabijheid bevond van de Ommerschans. Ommerschans – welk eene geschiedenis ligt er in dien naam! Hoeveel duizenden hebben daar geleefd, wier dagboek bladzijden van weelde en bladzijden van ellende en berouw telde! Hoe velen, in weelde geboren en opgevoed, die eens bevelen gaven en werden gehoorzaamd, hebben daar in onderdanigheid dagen van bitter verdriet doorleefd, bij een sober maal en onder strenge tucht! Welke herinneringen werden daar in ’t diepst der ziele begraven, maar niet vernietigd – hoe is daar het harde levenslot in wrevel getrotseerd, maar wat is er ook op de harde bank en de hangmat in ’t nachtelijk uur, als de slaap werd gebeden, maar niet komen wilde, herdacht en beschreid? (21).

Ik kon vroeger de verzoeking, om die plaats van boete voor zwakheid en voor opzettelijk bedreven kwaad eens te bezoeken, niet wederstaan. Wat ik er zag en wat ik er bij dacht, durf ik, gedachtig aan een wel eens ontrouw geheugen, niet mededeelen, ook omdat ik later welligt ten tweeden male die gestichten hoop te zien, maar ééne menschelijke figuur is altijd voor mijn oog gebleven, een improvisator, wiens dichterlijke geest vaardig werd, toen ik met vriend er eene eetzaal binnentrad. “Mag ik – zoo sprak ons toen één der kolonisten aan, een verdraaid wezen, met grijze oogen en een stekelvarkensachtigen baard – de heeren met een vers begroeten, nu zij ons de eer aandoen de Ommerschans een bezoek te brengen!” Toegestaan. “Welnu, mijne heeren!” – vervolgde hij – “dan zal ik geen vers voordragen, een dienstdoender voor elke gelegenheid, maar een lierzang, waarin zelfs uwe personen en kleedij worden bezongen, al hetwelk u ten bewijze zal zijn, dat hier aan geen diefstal of na-aping is te denken, trouwens, daartoe leent zich de plaats, waar wij gezamenlijk zijn, ook in geene deele”. Wij stelden ons in een aandachtig, jazelfs eenigermate in een eerbiedig postuur tegenover het koloniaal talent en – de poëet, na eerst aan een vijftig zijner Rijksbroeders gezegd te hebben, dat zij niet te digt op hem moesten staan, ten einde vrij te blijven in zijne gesticulatiën, begon. Als van een leijen dak rolden de regels van zijne smalle, vale lippen en nu en dan schoot er wezenlijk een idee uit, dat wij wel hadden willen bewaren, maar ’t doofde spoedig uit. Twee regels zijn mij echter bijgebleven en wel die, in welke hij een gedeelte van mijn tenue schilderde. “Ziet” – zeide hij en zag triomfantelijk den grijzen kolonialen cirkel, die zich om ons sloot, rond, “ziet, twee Hollandsche heeren zijn eendragtelijk komen aangeloopen. Waarvan de eene heeft aan een blaauwen rok, met twaalf blinkende knoopen”. Al de kolonisten, die blootshoofds op deze poëzy te gast gingen – een enkele keek wel eens om naar de middagtafel, die klaar gemaakt werd – knikten mij lagchend en heel amicaal toe, alsof zij zeggen wilden: “Wat zijt gij, mijnheer! geschilderd door de goddelijke Ommerschansche Muze!” En ik lachte ook en gaf twee kwartjes aan den dichter en als ik, hem goed in de oogen kijkende, daarin las: ’t vers was mooi, maar is ook goed betaald”, dan geloof ik niet, dat ik mij vergis. ’t Zou pleiten voor den man.

De kolonisten zetten zich daarop aan tafel. In geen der gezigten konden wij een “kieskauwer” ontdekken. De voorbidder kwam en sprak:
          O Vader die al ’t leven voedt,
          Kroon onze tafel met uw zegen.
          En spijs en drenk ons met het goed
          Uit uwe milde hand verkregen.
          Leer ons voor overdaad ons wachten
          Ens ons gedragen zo ’t behoort ….
Mijn reisgenoot kreeg een hevige proestbui, en wij vertrokken (22).

Noten:

19. Hoe warm het die dag was en hoe lang! Harm Boom moet er wel drie uur over gedaan hebben om de afstand tussen de herberg “De Lichtmis” bij Nieuwleusen en Sluis V (het zgn. Veenschut) bij Balkbrug lopend (langs een lineaalrecht kanaal, de Dedemsvaart) onder de hete middagzon te “overbruggen”. In Den Hulst bevond zich het lommerrijke landgoed van huize Rollecate. W.J. baron van Dedern, de stichter van de Dedemsvaart, had in 1820 zijn oude uit de 17e eeuw daterende havezate, “de Rollecate”, te Vollenhove laten afbreken. Direct daarna was door hem (deels met restanten van deze afbraak afkomstig) het nieuwe huize “Rollecate” (1820-1930) in Den Hulst weer opgebouwd.

Huize “Rollecate”.

Veel beschutting tegen het felle zonlicht zal dit landgoed Harrn Boom overigens niet hebben geboden, gezien de ligging ervan aan de overzijde (noordzijde) van de vaart. Zie voor meer over de havezate “de Rollecate”: H.D.J.Krikke, “Twee studenten en Vollenhove in 1823”, in: “Kondschap”, Historisch kwartaalbericht van de Stichting Oudheidkamer Brederwiede, 2002/4. Meer dan een halve eeuw eerder, op 15 juli 1823, liepen de studenten Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp eenzelfde tocht langs de Dedemsvaart. Huize “Rollecate” stond daar toen nog maar net “… en prijkt het heerlijk huis dat van Vollenhove derwaarts gevoerd is en aangenaam over de vaart hangt”.

20. Linieschepen, fregatten en corvetten zullen wel nooit op de Dedemsvaart hebben gevaren. Kennelijk bedoelt Boom hier de grote verscheidenheid aan schepen en scheepstypen in de vaart. Zoals zogeheten lichters, brandschepen en snikken, om enkele kleinere scheepssoorten te noemen. Grotere binnenvaartschepen waren onder meer de beurtschepen en de veel voorkomende turfpramen, door hem vanwege hun hoge deklast hier “turfbergen” genoemd. In veel gevallen ging het bij die schepen zelfs om zeewaardige schepen. Boom geeft overigens wel aan van de diverse scheepssoorten geen verstand te hebben. Bij de door hem zogenoemde “Landskohieren” doelt hij op de scheepsregisters ten kantore van het kadaster. Daar staan dan ook de schepen, die met een hypotheek zijn bezwaard, onder de eigenaarsnaam, type, nummer en tonnage etc. geregistreerd. Kleine scheepjes vallen hier echter niet onder. Overigens stonden de meeste te Dedemsvaart gedomicilieerde schepen in de scheepsregister van de Dienst van het Kadaster te Zwolle vermeld. De voor historisch onderzoek op dit punt belangrijke gegevens zijn echter van Zwolle naar de Dienst van het Kadaster te Groningen overgebracht. In de tijd waarover Boom schrijft waren er op de Dedemsvaart hoofdzakelijk nog zeilschepen. Bij gunstige wind hees men dan ook het zeil. Op de dag dat Harm Boom langs de Dedernsvaart liep moet het warm en windstil zijn geweest. Er bleef dan ook niets anders over dan om het schip door middel van trekkracht te laten varen. Vaak maakte de schipper dan gebruik van een scheepsjager, die met behulp van een paard het schip liet trekken. Bij een hoge deklast stond de roerganger hier vaak op een verhoging om over de lading heen te kunnen kijken. In veel gevallen wilde men de kosten van een scheepsjager “uitsparen”. De schipper en vaak ook zijn vrouw (de laatste door Boom in oudtestamentische trant als “zijn ribbe” aangeduid) “hingen” in zo’n geval op het jaagpad in de lijn om zelf het schip te trekken. Ook wel boomde de schipper, bij gebrek aan een trekpaard, vanaf het gangboord het schip voort. De scheepsjagers werden wel de “ridders van de lange lijn” genoemd. Vooral aan het kanaalpand tussen de beide sluizen bij Balkbrug woonden veel scheepsjagers. Er werd wel van hen gezegd: “Koning Alcohol en een uitgemergeld paard waren hun beste vriend”. Er stonden dan ook veel cafeetjes en andere drankgelegenheden aan genoemd kanaalpand. Dit werd daarom ook wel als het “Zoopiespand” aangeduid. Een “handhabiliteit” is hier een handige bedrevenheid. Voor meer over de scheepsjagers zie men: J. Nijensikkens, “Scheepsjagersdynastie”, in: HVA, 2000/2, 2001/1 en 2.

21. Boom beschrijft dat er bij het voorttrekken van een schip ook wel gebruikt gemaakt werd van een kind. ’t Kind kon dan uitwinnen wat het loon zou zijn van een paard. Boom romantiseert dit gebeuren en wel (als een liefhebber van de toenmalig zeer veel gelezen Britse schrijver Charles Dickens) op een wat Pickwickiaans aandoende stijl, zoals hij ook deze aflevering begon. Van enige afkeuring van zo’n staaltje van kinderarbeid laat hij geheel overeenkomstig de liberale tijdgeest van toen niet blijken. De Ommerschans was de strafkolonie van de Maatschappij van Weldadigheid. In deze tijd was het al enkele tientallen jaren een instelling van het Rijk.

22. Boom roept hier de herinnering op van een vele jaren eerder door hem (samen met een reisgenoot) aan de Ommerschans afgelegd bezoek. Dit was nog in de tijd dat Boom als journalist aan de Zwolsche Courant was verbonden en dus vóór het jaar 1847. Het optreden van de hier door hem beschreven rijmelaar/kolonist en andere de Ommerschans betreffende zaken (ondanks het wel zeer simpele en eentonige maal, geen “kieskauwers” aangetroffen) was hem blijkbaar al die tijd nog bijgebleven.

Wim Visscher

error: Inhoud is beveiligd! ©HVAvereest