Meteen naar de inhoud

Reisherinneringen van Harm Boom (3).

De Dedemsvaart was alzoo in 1811 gegraven tot aan het begin der Katinger en Oosterhuizer Veenen. Voor hen, die zich daar toen plaatsten, ontplooide zich het veen als eene oneffene oppervlakte, die paalde ter regterzijde aan den Hessenweg, ter linkerzijde aan de Drentsche heidevelden en ginds in het verschiet blaauwden bij heldere lucht de torens op van Heemse, Hardenbergh, Gramsbergen en Coevorden (13).

Wild, woest en ledig

Woest, huiveringwekkend woest was die schier onafzienbare oppervlakte, bedekt door schrale heideplant en in de laagten hier en daar met water, dat nergens een uitweg vond.

“Groeten uit Dedemsvaart” staat er op de originele ansichtkaart van een herder met zijn schapen.

Geen weg was er te bespeuren, geen enkel pad door ’s menschen voet gevormd. Alleen de stoutmoedige jager, die het wild in deze troosteloze wildernis opzocht en het er tot zijne schuilhoeken vervolgde en de herder, die zijne schapen voor zich uitdreef, betraden nu en dan dezen bodem. Hier en daar, niet al te ver in dezen woestijn, zag men een enkel plekje, waarop de boekweitplant zich kommerlijk verhief. Op zulk een plek moet de dichter Boxma gestaan hebben, toen hij meewarig uitriep:

Ik staar langs ’t meetloos ruim van al die vale heiden,
En zie geen Westenwind, die wulpsch de halmen kust,
Geen bloempje schiet er op in klaverrijke weiden,
Geen boom verheft zijn kruin om schaduw uit te spreiden.
De schepping slaapt en rust. (14).

En dat grenzenloos veld moest veranderen in een vruchtbaar oord! Daar moest tarwe en rogge groeien, daar moest het rund zich in malsche gras en klaver vergasten, daar zouden fabrieken verrijzen en hunne rookkolommen uit hooge schoorsteenen ten hemel doen stijgen, daar zouden kerken en scholen worden gevonden en huizen aan villa’s gelijk, met spiegelglas en verscholen achter heesters en bloemen!

Baron van Dedem

Van Dedem zag dat lachend tafereel in zijne vurige verbeelding en als hij daarvan soms vertrouwelijk sprak, dan kwam er wel eens een ongeloovigen, ja medelijdenden glimlach om de lippen van hem die luisterde. Gewis, in veler schatting was hij een dweeper. Maar was die dweeper er niet geweest, de Dedemsvaart zou er niet zijn. ’t Kanaal, dat zijn naam draagt, zag hij toen de adem des doods nog over de vlakten rondwaarde (’t plan der grootsche schepping had in zijn geest lijn en vorm) de gansche kolonie lag voor hem! ’t Wachten was op de daad. Van Dedem begon het reuzenwerk en men vergt gewis niet van mij, dat ik de voorbereidende maatregelen opsomme en beschrijve, maar ieder die kennis van zaken had en hem naspoorde in ’t geen hij deed, zag er ’n getuigenis in van kennis en beleid. Daar was eigen belang, ’t welk zich verkort achtte, te bevredigen; daar was wat zucht naar onregtmatig voordeel te temperen. Niet al de wijken deed van Dedem uit het hoofdkanaal loopen, maar elk afgemeten blok verkreeg een hoofdwijk, die al de andere wijken met het hoofdkanaal in verband bragt. Indien toch langs het hoofdkanaal een rijweg werd aangelegd, zou elke wijk eene brug in dien weg eischen en groote kosten veroorzaken. Van Dedem, op zoo straks omschreven wijze de wijken vereenigende, beperkte daardoor het aantal bruggen en gaf ook aan de blokken den vorm, niet van lange smalle strepen, maar van langwerpige vierkanten. Ook tot behoud van de gewenschte hoogte des waterspiegels, nam de ontwerper hoogst doeltreffende maatregelen en daaruit bleek voor den ingewijde, dat al dadelijk aan de Vecht was gedacht en men die rivier eenmaal in ’t belang van den Willem Jan Baron van Dedem koophandel met het kanaal vereenigd zag. Zoo vatte van Dedem, na eerst verschillende veenderijen bezigtigd, advies gevraagd en den aanleg van kanalen ernstig bestudeerd te hebben, het groote werk aan en al spoedig kwam er leven in deze oorden en werd de doodsche stilte verdreven, die er eeuwen lang had geheerscht (15).

Wijkraaijen werden gegraven, verbreed, verdiept (bonkgruppen ter wederzijden daaruit getrokken en duizenden spaden drongen in het bezakkende veen om de turfstof te steken) duizenden handen strekten zich uit om ze in de lucht te droogen. Schepen van allerlei grootte zeilden de vaart op om de eerstelingen van den turf te laden en vertrokken om de brandstof heinde en verre in ons
Vaderland te verspreiden (16).

Het eerste wonen

Van lieverlede kwam de ondergrond, zoo lang door een ondoordringbaar floers bedekt, te voorschijn en koesterde zich in de verwarmende zon en treffend was het te zien hoe op schier elke plek, die zich daartoe eigende, eene hut verrees hoe op den bodem rondom die schamele woningen het brood der armen: de aardappel, welig tierde en het gras opschoot, toereikend om eene geit, het eerste melkdier in de Kolonie, te voeden.

De plaggenhut; een schamel verblijf voor mens en dier. Deze foto is gemaakt in de omgeving Vriezenveen.

Zoo was het begin, maar hoe wonderbaar snel veranderde dat! De hut werd een huis, de aardappelakkers werden herschapen in korenvelden en het kleine klaverkampje zette zich uit tot een heerlijk weiland. Met grooten spoed werd de afturving voortgezet, trouwens de kwaliteit was uitmuntend en de vaart, elders door verschillende oorzaken wel eens gestremd, was hier ten allen tijde open. De ontginning van den ondergrond hield gelijken tred met de verveening. ’t Geld, uit de turf gemaakt, werd voor een groot deel besteed tot den koop van mest en deze mest was het groote toovermiddel voor de herschepping (17).

Verbetering

Dat de van dag tot dag toenemende uitbreiding en bloei der veenkolonie vele behoeften op stoffelijk en zedelijk gebied deden ontstaan, wier bevrediging men dikwerf op vrij verren afstand moest zoeken, spreekt van zelven en wonder was het niet, dat men dat moede werd. Nood en speculatiegoed traden nu op en werkte de hand met onbezweken volharding om geld te winnen, ook hoofd en hart kwamen met eischen. “De menschelijke geest”, zoo sprak ds. G.H. van Senden, toen hij op 23 Maart 1834 de Hervormde Kerk te Dedemsvaart met eene leerrede plegtig inwijdde, “is bekwaam iets grootsch tot stand te brengen. Gelijk in de natuur de onvruchtbaarheid doorgaansch een gevolg is van verzuim en de vruchtbaarheid het loon van vlijt, zoo ook bij den mensch. Hoe vlijt en zorg uit heidegrond een bloeijend oord kunnen scheppen, omdat er aanleg is, dat toonen deze streken en dat zullen zij verder toonen. Wanneer van nu af niet minder zorg wordt besteed aan den bodem des harten, dan zal eene nog grootere herschepping hier beginnen, edeler kiemen zullen ontluiken en vruchten des geestes zullen deze gemeente versieren” ( 18).

’t Beeld van die herschepping zal ik nu trachten te schilderen.

Noten

13Het gaat hier om een citaat van de predikant GH. van Senden uit zijn Leerrede van 1834 naar aanleiding van de inwijding van het kerkgebouw van de Ned. Hervormde gemeente te Dedemsvaart. De Hessenweg (een zogenaamde trekof handelsweg) was een van het westen naar het oosten lopende zandweg langs de rivier de Vecht. Het was destijds de doorgaande weg van Zwolle naar Hardenberg, Venebrugge, Uelsen en via Bentheim verder Er reden zogenoemde Hessenwagens of Hessenkarren over Bij de “Drentsche heidevelden ” doelde Boom op de zandheide aan de overzijde van de Reest bij onder meer Nolde. Onder de genoemde kerken die in het verschiet “blaauwden”, ontbreekt de toren van de kerk van Oud-Avereest. Inderdaad bezat die kerk ten tijde van Van Senden’s verhaal nog geen toren. De later in 1852 gebouwde nieuwe kerk van Oud-Avereest had wel een toren. Overigens is het merkwaardig, dat Boom onder de genoemde kerken wel die te Gramsbergen noemt, terwijl die in het verhaal van Van Senden niet voorkomt.

14. Door de voedselarme veenbodem (heide en veenmos) was het een vrijwel boomloos landschap. Het hoogveen was als het ware een spons, dat het water vasthield. In sommige laagten bleef het water staan, omdat het nergens een uitweg vond. Dit waren de “meerstallen”, die ook wel veenpoelen werden genoemd. Vergelijk bijvoorbeeld de Cotermeerstal.

De natte, zojuist geperste turf wordt te drogen gelegd.

Op het veen groeide hooguit de schrale veenheide. Ook kon men, als het veen was begreppeld en het deels daarna gebrand was, in de as de boekweitplant laten groeien. Uit het meel van de later geoogste korrels werden pannenkoeken en boekweitpap gemaakt. In de bloeitijd waren de boekweitvelden geheel wit. Niet zelden ging door nachtvorst, waarbij de kwetsbare bloesem bevroor, de hele boek-weitoogst verloren. Het was dus een riskante teelt en veel boekweitboeren leden een kommervol bestaan vol armoede. Al sinds de l6e eeuw werden de Avereester venen druk “beboekweit”. Dit was vooral ten oosten van de eerdergenoemde Cotermeers tal het geval. Deze boekweitlanden werden toen ontwaterd door naar de rivier de Reest gegraven greppels. Korte tijd later werd de verbouw van boekweit hier verboden. Dit was ook het geval met betrekking tot de aanleg van wegen en paden door het veen. Het veen moest als moerassengordel gaan dienen voor de verdediging van de provincies Friesland en Groningen. Hierdoor moesten ze drassig en daardoor voor vijandelijke troepen ontoegankelijk worden. Het veen kreeg toen een militaire functie ten behoeve van de landsverdediging. Na hetjaar 1750 was de boekweitverbouw weer toegestaan. Nog in 1820 werden in het gebied ten oosten van Cotermeerstal nog percelen boekweit in pacht uitgegeven. De Boek-weitenwijk herinnert hier nog aan. (Zie: “Wijkend Verleden”, pag. 68).

15. Uitdrukkingen als “doodsche stilte”, “ondoordringbare floers” en “adem des doods” waren bij Boom niet ongebruikelijk als hij het over de venen had. Men sprak ook wel van het veen als een ‘Woods moeras, dat hare schatten in haar kluisters verborgen hield”. Het grote, vroegere veengebied van de voormalige marke Arriën in de gemeente Avereest was vroeger in zogenoemde
“blokken” verdeeld. Dit gebied, dat zich van de Langewijk naar het zuiden toe uitstrekte, was in vier veenblokken verdeeld. De vorm van de blokken waarin dit veen ingedeeld was, kwam doorgaans overeen met bepaalde hoogtezones van de veengronden. Het waren langwerpige rechthoeken. Die verschillen in reliëf zijn er mede de oorzaak van geweest, dat dit veen in blokken van ongelijke grootte en richting werd ingedeeld. In het algemeen werd het hoofidkanaal door de veengedeelten gegraven met de grootste veendikte en laagste veenondergrond. Ook met betrekking tot de blokverdeling had Van Dedem het toekomstig belang van de landbouw – als het veen aan de wijken na verloop van tijd (meestal na tientallen jaren) afgegraven zou zijn – voor ogen. Het in cultuur brengen van de grond was immers op haar beurt weer ajhankelijk van het gegeven wijkenpatroon. Door deze lange rechthoekige blokken kon Baron van Dedem volstaan met de aanleg van één hoofidwijk per blok. Met deze hoofidwijk stonden al de andere in het blok gegraven wijken in verband. Hierdoor hoefde er per blok slechts één brug in de weg langs de Dedemsvaart worden gebouwd.

Bij zijn plan van aanleg van de Dedemsvaart had Van Dedem ook de toekomstige bestemming, als eens het veen zou zijn afgegraven, van het gebied als landbouwgebied voor ogen gestaan. Hij had bij dit alles zich een voorbeeld genomen aan het “Groningse systeem”. Dit werd gekenmerkt door een qua lengteligging noord-zuidligging van de veenslagen (plaatsen). Deze voorkeur had Van Dedem opgedaan naar aanleiding van zijn bezoek aan de veenkolonie Annerveen bij de vervener Grevylink, zoals in de vorige aflevering al was beschreven. Dit systeem week af van het “Drents systeem “, zoals dat was toegepast in de Drentse veenkolonies Hoogeveen en Smilde. Daar kende men de oost-westligging van de wijken en de daaraan gelegen veenplaatsen en ging men er vanuit dat de te drogen turfdan beter in de zon zou staan en daardoor sneller zou drogen. Het voordeel dat dit opleverde zou echter later wel in het nadeel van de landbouw gaan uitvallen. Immers zouden bij dit “Drents systeem ” bij ingebruikneming van de dalgronden, de boerderijen in plaats van aan het hoofdkanaal aan de zijwijken komen te staan. Dit laatste had Van Dedem een ongewenste ontwikkeling voor de Dedemsvaart toegeleken. Vandaar dat de zijwijken van de Dedemsvaart doorgaans door een noord-zuidligging worden gekenmerkt.

16. Een wijkraai is de eerste in de lengterichting (tracé) van de te graven veenwijk, gegraven greppel. Deze werd vervolgens jaarlijks uitgediept en verbreed. Ter weerszijden van zo’n raai (wat ook wel grens betekent tussen twee veengebieden) werden ook greppels loodrecht op de raai graven. Door dit alles droogde het veen en ging het “bezakken “. Uiteindelijk was het veen tot op de zandbodem van de raai uitgegraven. Hierna werd de eigenlijke veenwijk in de zandbodem uitgraven. Bij voldoende waterpeil konden de schepen dan de gegraven turven aan beide zijden van de wijk afvoeren. De wijk diende vooral ook de ontwatering van het aangelegen veen. Er waren verschillende types tur schepen. In Dedemsvaart was dit vooral de Hoogeveense praam, maar men zag er ook Hasselter aken en brandschepen. De turfschepen waren vaak ook zeewaardig. Ze moesten vaak de Zuiderzee oversteken om hun lading naarAmsterdam en andere Hollandse steden en plaatsen te varen. Ook vond er veel turf zijn weg langs de rivier de IJssel en verder.

17. In 1836 telde het Rheezerveen (sluis VI e.o.) slechts enkele stenen huizen. Vele tientallen andere onderkomens waren hutten of keten. In de al wat eerder in exploitatie genomen venen langs de Hoofdvaart stonden toen veel zogenoemde één-kamer-woningen, die uit een halfsteens muur waren opgetrokken. Als men de veenbodem vennengde met de (aan de kant gegooide waardeloze bovenste veenlaag) bonklaag kreeg men dalgrond. Als men dit goed bemestte kreeg men een vruchtbare bodem. Men kon daarop goede, zgn. “blanke ” aardappelen verbouwen. Vooral in de eerste jaren was dit het geval. De allereerste landbouwers van Dedemsvaart waren de hutbewoners. Een aantal van hen zou zich tot vakbekwame akkerbouwers ontwikkelen. Boom dwaalt hier waar hij stelt dat de landbouw aan de Dedemsvaart gelijke tred had gehouden met de vervening. Mogelijk was dit ten tijde van Van Sendens Leerrede nog wel het geval. Later zien we dat alleen dicht bij de kanalen de oorspronkelijke veengrond in dalgrond is omgezet. Verder van het kanaal af zag men meer eiken- en dennenbosjes. Er was onvoldoende kunstmest. Overigens kwam die vaak als compost uit Amsterdam, waar de Amsterdamsche Mest Compagnie van dr. Sarphati c.s. de compost als retourvracht met turfschepen naar Dedemsvaart bracht. Nog later investeerden de Dedemsvaartse verveners liever niet in de aanmaak van landbouwgrond, maar veeleer in de aankoop van nieuwe veengebieden bij De Krim, Vroomshoop en Zuidoost Drenthe. Boom besluit hier met een citaat uit Van Sendens Leerrede.

Wim Visscher

error: Inhoud is beveiligd! ©HVAvereest