Ga naar de inhoud

Rectificatie Schipper Gerrit Jan Korterink

Naar aanleiding van het aanbieden van het stuurwiel en de scheepsbel van het schip de “Vertrouwen” door de nazaten van Gerrit Jan en Aaltje Korterink aan de Historische Vereniging Avereest volgt hier het verhaal van deze schippersfamilie.

Ze kregen samen 5 kinderen: Jannes (1917), Alie (1920), Zwaantje (1923), Sieger (1927) en Janny (1934).

De “Vertrouwen” was één van de vele vrachtschepen die in de eerste helft van de 20e eeuw regelmatig het kanaal de Dedemsvaart gebruikte als vaarweg.

Aan de hand van de memoires van mijn neef Marlex van Keulen en de verhalen van mijn tante heb ik getracht om de levensgeschiedenis te beschrijven van deze schipper, zijn gezin en zijn beroep. Marlex was de enige zoon van mijn oom Marinus van Keulen en zijn vrouw, mijn tante, Alie Korterink (een dochter van Gerrit jan en Aaltje).

Henrie van Keulen
Balkbrug,
Oktober 2025

1883

Eind 19e eeuw woonde er een familie Korterink, Johannes en Aaltje, in een boerderijtje in een gebied dicht bij Lutten dat nog bij Slagharen hoorde.

Behalve het werk op het boerderijtje, werd van daaruit ook werk in de venen verricht: turf steken en sponturf maken. Sponturf was de specialiteit van Johannes Korterink. Het was daar toen een ruige wereld met hei en bremstruiken.

Ze hadden een redelijk bestaan; zo hadden ze ook een paar koeien en van de melk maakten ze boter die ze verkochten aan de fam. Posthoorn die in Slagharen een winkel hadden. Aaltje maakte er altijd ter versiering een roosje op.

Hun eerste kind was Gerrit Jan, geboren in 1883.

1893

Vanaf zijn tiende jaar ging Gerrit Jan met zijn vader naar de venen in De Krim en Nieuwe Krim.

GJ werkte ook een poos als visser bij familie Tuin.

1901

GJ is acht maanden in militaire dienst geweest; hij was daar kanonschutter. Zijn diensttijd mocht hij in gedeelten uitdienen want dat was voordeliger voor de werkverdeling thuis.

Hij was samen in militaire dienst met Gerrit van Keulen uit Lutten, met wie hij ook goed bevriend was.

1914

Er kwamen in de wijken in Lutten veel kleine scheepjes om turf te laden. Varen leek GJ mooi en hij wilde ook schipper worden. Hij ging als knecht varen op het schip van Willem Camphuizen dat op de werf van Mol in Dedemsvaart was gebouwd. De heer Mol vroeg GJ of hij zelf ook een schip wilde hebben. Hoewel GJ geen geld had, werd het schip toch gebouwd, mede doordat GJ trouwplannen had en er een hechte relatie was tussen een aantal schippersfamilies. Het werd een klipperaak, 152 of 162 ton waarvan de lengte berekend was op de sluis van Klazienaveen; vanuit die plaats moesten vaak zakken turf vervoerd worden. GJ ging veel om met oom Rieks en tante Coba (zij was de dochter van familie Posthoorn, van de winkel in Slagharen) en heeft met hun gepraat over een naam voor zijn schip; zij waren Nederlands Hervormd en een bijbelse naam vond GJ te gereformeerd. Zo werd de naam ‘Vertrouwen’ gekozen: vertrouwen hebben in God en in de mensen, zoals ook de heer Mol vertrouwen had in hem. Als een schipper schulden had op zijn schip, werd dat in het schip gebeiteld. De meeste schippers lieten dat uit het zicht achter het zwaard doen. GJ niet: bij hem kwam het boven de ingang om hem er voortdurend aan te herinneren dat hij moest varen om zijn schulden af te betalen.

Nadat GJ er korte tijd mee gevaren had, kwam de mobilisatie en moest GJ in dienst; het zat hem hoog dat hij het schip niet kon afbetalen. De heer Mol zorgde ervoor dat hij eerder uit dienst kon, zodat de periode dat het schip stil lag tot 1½ jaar beperkt bleef.

1917

In 1917 trouwde Gerrit Jan in Coevorden met Aaltje Zuidersma. Ze konden niet meteen gaan varen want door het vele ijs lagen ze zes weken voor de wal, totdat het met hulp van een paard naar het Krimse fabriek getrokken kon worden.

De namen ‘Gerrit Jan’ en ‘Aaltje’ werden doorgaans uitgesproken als ‘Gtjan’ en ‘Aoltje’.

Later dat jaar werd hun eerste zoon Johannes (roepnaam Jannes) geboren, in het ouderlijk huis van GJ.

Jannes de Jong was toen de knecht aan boord.

1920

Aaltje Korterink, roepnaam Alie, werd op 15 maart 1920 geboren. Het schip lag toen aan de kade in Kampen. Inmiddels was Geert Talen de knecht aan boord geworden.

In de Oude Kerk in Amsterdam werd Alie gedoopt.

1921

Alie werd erg ziek toen ze elf maanden oud was, ze was te dik en kreeg een keer 15 stuipen op één dag. Hoewel zij al kon lopen, kon ze dat toen niet meer. Volgens de dokter had ze te dik bloed. Ze mocht geen melkproducten meer hebben en als ze ging huilen van de honger, kreeg ze slappe thee. Gelukkig heeft ze er niets aan over gehouden.

Jannes kreeg wel veel melk. Als Alie erbij stond, wilde zij natuurlijk ook melk. Zij kreeg dan water met een klein scheutje melk erin; desondanks groeide Alie veel meer dan Jannes

De Vertrouwen voer regelmatig door België, Frankrijk en Duitsland maar voer ook vaak naar Amsterdam (meestal naar de vuilverbranding) en Rotterdam. Ze verdienden er goed aan. GJ ging vaak de stad in en kwam dan terug aan boord met bijv. een groot stuk spek, sinaasappels of pinda’s. In de Rotterdamse haven viste hij vaak bananen op uit het water. Als hij vezels geladen had, verkocht hij die ook aan de boeren voor hun varkens en hij kocht vaak kaas bij de boeren.

1923

Jannes de Jong, de vroegere knecht, voer samen met zijn broer Meeuwis. De familie Korterink ging veel met hen om. Jannes van de familie Korterink (‘kleine Jannes’) vond het prachtig om bij grote Jannes aan boord te zijn. Op een keer lagen de beide schepen in Zwartsluis naast elkaar ten anker, want de wind was verkeerd. Een lier was een interessant apparaat met een verschuifbaar tandwiel en kleine Jannes speelde er mee. Op een gegeven moment ging de wind draaien en de schepen gingen varen. Kleine Jannes bleef bij grote Jannes aan boord en bij de lier. Toen Meeuwis de lier in het werk zette wilde Jannes het er weer uit schuiven en toen kwam zijn rechter wijsvinger ertussen, de vinger bungelde eraan. Ze zijn met Jannes zo gauw mogelijk de wal op gegaan op zoek naar een dokter. Een slager die zijn mand leeg had, bracht hem met de fiets naar een dokter in Hasselt. Jannes moest die vinger wel missen. Vader was bang dat Jannes moeilijkheden zou krijgen met het schrijven maar de dokter zei (terecht) dat hij er later niets van zou merken en Jannes zei zelf dat hij wel met links kon leren schrijven. Op school leerde juffrouw Corpushoek Jannes toch met rechts schrijven.

Men zei dat het een geluk bij een ongeluk had: Jannes zou later niet in dienst hoeven.

In de periode dat hun volgende kind geboren zou worden, was tante Doetje aan boord, een jongere zuster van moeder Korterink. Op een keer bracht vader Korterink dadels mee aan boord maar die bleken niet goed te zijn en vooral tante Doetje werd daar erg ziek van. In december van dat jaar werd Zwaantje geboren, in Overschie. De volgende ochtend zei Alie enthousiast tegen Geert Talen dat ze vannacht een “eendje” hadden gekregen. (Hij had zelf die nacht de baakster gehaald!)

1924

In november 1924 was er een storm op de toenmalige Zuiderzee. Jannes was aan de wal op school. Zwaantje was nog klein. De groten waren bang maar Alie niet: zij stond voor het patrijspoortje, zag de golven aankomen die over de kop van het schip kwamen, naar achteren rolden en tegen de roef aan kletsten, dus ook tegen het raampje waar zij met haar gezicht vlak voor zat, en vond dat prachtig. Het liep goed af: ze hadden een zeewaardig schip, een kromme klipperaak.

Na Geert Talen kwam Willem Fluks als knecht aan boord. Een knecht sliep in het vooronder maar werd verder gewoon in het gezin opgenomen. Vader Korterink heeft eens gezegd: ‘Een goede knecht is nooit te duur; een slechte knecht is altijd te duur’.

Met kerstfeest dat jaar lagen zij in Groningen. Alie mocht met de zondagsschool en andere schipperskinderen naar een grote kerk (vermoedelijk de A-Kerk): de enorme hoge kerstboom met de vele lichtjes maakten veel indruk op haar. Ze kreeg het boekje ‘Jetje van de bovenmeester’.

1925

Aan boord was het heel belangrijk dat men zuinig was met alles. Dit was niet vanwege het geld maar omdat men van tevoren niet wist wanneer er gelegenheid zou zijn om wat te kopen. Ze moesten vaak naar een haven van Amsterdam of Rotterdam, meestal ver van de winkels en waren daar afhankelijk van de parlevinker. De parlevinkers kenden familie Korterink goed want moeder Korterink kocht altijd wat. Anderzijds kochten de parlevinkers vaak stijfsel bij Korterink: hij stond bekend als de stijfselschipper, o.a. door een groot reclamebord op de roef.

Er was geen koelkast aan boord. Melk bedierf het snelst en werd koel gehouden door ze in een puts buitenboordwater te zetten dat geregeld ververst moest worden. Ook werd de melk regelmatig opgekookt, in de zomer minstens twee keer per dag. Na een paar keer zat er dan geen smaak meer aan en de melk kreeg een gele tot bruine kleur.

Het leven op een schip was ongeregeld. Er lag altijd een schaal met dubbele boterhammen met boter en roggebrood klaar, doorgesneden zodat ze zo te pakken waren onder het varen.

1926

Naar school gaan was moeilijk bij schipperskinderen. Bij de meeste schippers was het gebruikelijk dat ze steeds halve dagen naar de school gingen die in de buurt was, als het schip ergens lag om te laden of te lossen. Op die manier gingen ze veel vaker niet naar school als wel. Ook was er voor schipperskinderen (en kinderen van woonwagenbewoners) geen leerplicht. Veel schipperskinderen gingen dan ook niet naar school. Vader Korterink was zijn tijd vooruit en vond het belangrijk dat de kinderen zouden leren.

1928

Eind 1928 lieten haar ouders een motor in het schip zetten. Deze radicale verbouwing vond plaats aan Dedemsvaart; ook de stuurhut werd voor de roef en de roef verder naar achteren geplaatst. Alies ouders gingen tijdelijk in een huisje wonen. Alie kon zodoende in de kerstvakantie mooi naar hen toe.

Ze hadden een goed schip; de zeilen bleven wel: op zee konden ze ervan profiteren en ook dienden ze voortaan om het schip meer in evenwicht te houden.

1929

De winter van 1928-29 was erg streng en er lagen grote ijsschotsen op het strand van Scheveningen. In de krant stond dat er een man kwam om er een iglo van te bouwen en daar is tante Trientje met Alie naartoe geweest.

De Vertrouwen lag toen vast in het (kruiende) ijs, in de buurt van Lemmer. De mannen aan boord probeerden door in de roeiboot te gaan schommelen de schotsen onder het schip door te krijgen. Vader zorgde er altijd wel voor dat hij goede spullen had, en zo had hij een ijzeren roeiboot met luchtkassen, zodat deze niet kon zinken.

Jannes had na nog geen vijf klassen lagere school heimwee door de motor in het schip en mocht daarom aan boord komen.

Hierdoor en doordat een motor minder werk gaf dan zeilen, was er al gauw geen knecht meer nodig.

1935

De ‘Vertrouwen’ voer vaak met balen aardappelmeel van het Krimse fabriek naar Rotterdam. Dit was datumwerk: de fabriek had de garantie gegeven dat de lading op een afgesproken tijd bij de zeeboot (of zeeboten) zou zijn waar plaats voor de lading gereserveerd was. Vader Korterink zette zich daarvoor in, al waagde hij niet zijn leven en dat van de anderen, en nam hij zoveel mogelijk de zondagsrust in acht, zoals de meeste schippers. Het is hem altijd gelukt om op tijd bij de boot te zijn, en de lading droog te houden: de luiken gingen altijd dicht en als ze naar zee gingen en verder ook als er maar een kleine kans was op regen, gingen de dekkleden erover. Dat was een langdurig en secuur werk dus als er onverwachts regen op kwam zetten, had je er de tijd niet meer voor.

Als de ‘Vertrouwen’ in de haven aankwam en de lading moest met een bepaalde boot mee, was het belangrijk dat vader Korterink zo snel mogelijk naar het kantoor ging om het lossen te regelen.

Vader kon veel hebben als het maar eerlijk ging maar hij had wel een driftig karakter en als hij kwaad was dan was hij niet makkelijk. Een typisch voorval deed zich voor toen hij zoals zo vaak in de Rotterdamse haven aankwam. Het schip werd gauw even vastgemaakt en vader ging snel naar het kantoor. De tijd dat hij zich meldde, was bepalend. Daar stond een ventje achter het loket met zijn collega’s te kletsen, sprak vader, die op hete kolen stond te wachten, aan met “schippertje” en maakte geen aanstalten. Toen werd vader kwaad en zei: “Weet jij wel tegen wie jij het hebt. Jij houdt zaterdags je hand op en hoopt dat je baas daar dan wat in doet. Maar ik ben mijn eigen baas en wil dat je nu mijn papieren verzorgt!”. Dit had duidelijk effect.

Hij was de belangrijkste schipper voor het Krimse fabriek. De reis ging door de Dedemsvaart, door Hasselt, via het Zwarte Water, over de Zuiderzee / het IJsselmeer, door de Oranjesluizen bij Amsterdam, door de Keulse Vaart, bij Vreeswijk de rivier op, naar de havens van Rotterdam. Als er storm dreigde, volgde hij de route IJssel-Rijn-Lek of andersom. De overgang IJssel-Rijn was moeilijk want dan moest de bocht genomen worden met de stroming de verkeerde kant op.

Ze probeerden eerst zo snel mogelijk buiten Hasselt te komen, waar ze nog royaal levensmiddelen inkochten. Daarna hadden ze de ruimte: ze waren niet meer afhankelijk van bruggen en sluizen waar ze na een bepaalde tijd niet meer doorheen konden. Als het hun lukte om op zaterdag buiten Hasselt te komen en het weer was goed, voeren ze al vast naar Schokland, dan konden ze maandag stijl vroeg weg en waren ze (6½ uur later) op een mooie tijd bij de Oranjesluizen. Ook als ze bij slecht weer de zee over moesten steken, probeerden ze nog in Schokland te komen: dat was nog een klein stuk en een beetje onder de wal zodat je niet de volle zeewind had. Vader Korterink nam geen risico’s en ging niet varen als het weer te slecht was. Als het daarna wel weer kon, was hij een van de eersten die wegvoeren. Het kwam ook wel eens voor dat ’s nachts de zee overgestoken werd; vader Korterink en de knecht, resp. Jannes losten elkaar dan af aan het roer en de ander lag er vlakbij op de bank te slapen. Moeder Korterink ging dan ook niet naar bed en bracht zo nu en dan koffie naar de stuurhut. Als het vuurtorentje van Pampus in zicht kwam, gaf dat een geruststellend gevoel: ze waren er dan bijna en de zee kon dan niet zo ruw meer zijn.

Na het lossen bij de zeeboot kwam het voor dat de ‘Vertrouwen’ direct leeg terug moest voor weer een nieuwe hoeveelheid aardappelmeel. Anders probeerde vader Korterink via de beurs een reis te krijgen en dat kon van alles zijn.

Ook vaak moest er bij de vuilverbranding in Amsterdam sintels worden geladen voor gemeente Hardenberg, om de B-wegen ermee te verharden. Vrijwel alle wegen in gemeente Ambt-Hardenberg zijn in het verleden verhard met sintels van GJ Korterink. Vader Korterink nam vaak wat meer sintels mee om particulier aan de boeren te verkopen. Als er daarna weer aardappelmeel geladen moest worden, werd het ruim uiteraard heel goed schoon geschrobd.

Het kwam dus zo nu en dan voor dat de ‘Vertrouwen’ op zondag in het haventje van Schokland lag: het Noordeinde. Daar waren een paar huizen, o.a. een klein winkeltje. In één van de woningen had men een radio en op zondagmorgen zetten de bewoners ervan de kerkdienst erop, ook voor de schippers, maar alleen als er een gereformeerde dienst op was. De Korterinks (Nederlands Hervormd) waren soepel en gingen er gewoon naar toe. Als er geen geschikte dienst was, werd er een preek gelezen.

Er was daar verder niets te doen en ’s middags gingen de jongelui, die daar toevallig waren, samen de wal op, Alie ook. Over de dijk liepen ze naar de Middelbuurt, waar een niet meer in gebruik zijnde kerk was en de woning van de vuurtorenwachter, en door naar het Zuideinde waar een kleine vuurtoren was. Terug gingen ze langs de andere kant, over de krib. Er spoelde van alles aan en een paar jongens staken zoveel mogelijk aan een stok en terug bij de haven gooiden ze alles weer weg. Zo hadden ze de hele middag plezier.

Zo nu en dan voer de ‘Vertrouwen’ door Lutten, geladen met sintels voor particulieren. Het schip was te breed voor de brug bij ’t Haantje, en moest daarom achteruit getrokken worden tot Schrijver; daar kon de ‘Vertrouwen’ gedraaid worden en met ‘koppie voor’ verder varen. Dit achteruit trekken gebeurde door iemand op de wal. Door iemand aan boord met een vaarboom kreeg het (lege) schip eerst gang en dan was het niet zwaar trekken als het ritme er maar in gehouden werd. Alleen een vonder of brug gaf wat problemen. Alie deed dit trekken van het schip ook wel eens. Marinus van Keulen zag Alie toen ook maar door hun leeftijden zag hij haar nog niet als zijn toekomstige vrouw.

1936

Eind 1936 kwam Alie bij Jannes de Jong aan boord en bleef daar ruim 9 maanden. Zijn vrouw was in het ruim gevallen; er waren daar drie kinderen: een van acht, een tweeling van vijf en geen knecht. Daar moest zij helpen in de huishouding en ook helpen met varen. Alie moest nog wel veel leren maar Jannes de Jong zei dan wel hoe het moest. Zij voer met hen ook naar België en Frankrijk, o.a. Duinkerken. Toen ze een keer in Diksmuide lagen, gingen ze naar de loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog. Het zei Alie weinig, alleen een graf waarin twee broers lagen, waarbij ze aan haar eigen broers dacht.

Een bekende uitspraak van de vrouw van Jans de Jong (Hennie Haasjes) bij het wassen was: ‘Wat er niet uit wil, dat hoort erin’ (“de wet van Haasjes”).

Alie zag er fors uit voor haar leeftijd en er werd wel eens tegen Jannes gezegd: ‘Schipper: wat heb je een jonge vrouw!’, waar dan weer om gelachen werd.

1937

Op een keer toen het schip aan de wal lag, was het jongste zoontje op de luiken, zag zijn papa aankomen, wilde naar hem toe rennen maar greep mis en viel overboord. Alie zag het, wachtte tot hij weer boven kwam en kon hem grijpen. Toen alles voorbij was, kwam bij Alie de emoties boven en zat op een stoel te huilen.

In juni 1937 moest Jannes een half jaar in dienst (ondanks het ontbreken van zijn rechter wijsvinger) en in die periode moest Alie ook bij haar ouders steeds meehelpen met varen.

1938

Vader was een gezellige prater, hij was verstandig, wist veel en kon dus over veel dingen meepraten. Moeder was veel rustiger. Sieger en Zwaantje aardden naar vader: zij praatten veel en waren altijd nadrukkelijk aanwezig. De anderen aardden meer naar moeder en waren rustiger, vooral Alie.

1940

Op 9 mei 1940 kwamen de ouders van Alie met hun schip de ‘Vertrouwen’, geladen met sintels in het kanaal bij Bergentheim. Het was een groot schip voor die tijd, en het kanaal was maar net breed genoeg. De sintels waren geladen in Amsterdam, afkomstig van de vuilverbranding. Ze waren bestemd voor de gemeente (Hardenberg), om de B-wegen ermee te verharden. Het schip kon niet meteen worden gelost want er was nog een ander schip dat ook werd gelost.

Op 10 mei ’s morgens vroeg, werden de mensen aan boord wakker doordat de schol (een soort brug: een op- en afrit en een los brugstuk) werd opgeblazen. De Duitsers konden daardoor niet over het kanaal. Eén van de officieren kwam bij vader Korterink en sommeerde hem om als brug te fungeren. In de lengterichting over het scheepsruim was een ijzeren gebint, met op een aantal plaatsen dwarsverbindingen naar de zijkanten toe. De Duitsers pakten de scheepsluiken en legden die 3 lagen dik over het gebint. Vader Korterink zei dat alles zo kapot zou gaan, maar de officier zei: ‘3 dik gaat alles erover’. Aan de overkant van de weg werd een huisje dat behoorde aan de familie Biemans, afgebroken. De Duitsers haalden daar planken e.d. van af, en gebruikten die om een op- en afrit van de kapotte brug naar het schip te maken. De Duitsers hadden de paarden achter het huis van de familie Biemans gestald. Toen de geïmproviseerde brug klaar was, ging het leger erover, richting Hardenberg.

Vader Korterink kon niet varen omdat alle bruggen kapot waren, en is daarom rustig blijven liggen. Hij gaf de boeren toestemming om via zijn schip naar de overkant te gaan, omdat zij ook daar vaak grond hadden, en heeft als dank wel eens groenten en jonge haantjes gekregen.

1941

Moeder Korterink kwam in de overgang (menopauze) en was daar erg ziek van, daarom ging ze met haar dochter Janny in Lutten aan de wal wonen bij één van hun voogdkinderen, die weduwe geworden was en daar een groentezaak had naast de smederij van van Keulen.

1943

Op de ‘Vertrouwen’ waren drie mannen aan boord dus Jannes en Sieger konden opgeroepen worden om in Duitsland te werken. Daarom ging begin 1943 ook vader Korterink bij zijn vrouw aan de wal en Jannes, Zwaantje en Sieger bleven met zijn drieën varen.

1944

In januari 1944 maakte Alie kennis met Marinus van Keulen.

Jannes, de broer van Alie, trouwde op 25 januari 1944. Het was winter. Alie zorgde voor het bruidsboeket en nam dat mee naar Lutten. De bruiloft werd gevierd in het ruim van het schip.

Na hun trouwen ging Jannes en zijn vrouw aan boord en kwamen Zwaantje en Sieger aan de wal. Vader en moeder Korterink deden de groentewinkel en hadden het er druk mee.

1947

Marinus van Keulen en Alie Korterink trouwden op 8 april 1947

1952

De ouders van Alie werden ouder en de groentezaak werd hun te veel. De groentezaak liep ook niet echt goed: vader Korterink was geen handelsman, hij was te eerlijk en dacht vaak meer aan het belang van zijn klanten, vooral als die geldnood hadden, dan aan dat van de zaak. Vader Korterink kon AOW aanvragen; hij wilde dat eerst niet hebben, want dat was ‘je hand ophouden’. Ze kochten een woonark (mede vanwege hun binding met de scheepvaart) en familie De Lange uit Slagharen nam de zaak over. Voordat de woonark er was, kwam De Lange al in huis en vader Korterink ventte voor hen. In die tijd, tijdens het venten, kreeg hij een ongeluk met zijn been: hij scheurde een pees en moest naar het ziekenhuis.

Jannes bracht de woonark in 1952 achter zijn schip aan van Amsterdam naar Slagharen: bij de sluis in het stuwgat, tegenover het klooster (later “De Eik”). De onderbouw van de woonark was van gewapend beton; de bovenbouw was van hout en was zwart door de teer: iemand vond het net een doodskist. Er kwam een plankje met de naam “‘t Haventje” erop; dat was een toepasselijke naam want iedereen was er welkom.

Vader Korterink was vaak aan het vissen vanuit het kamerraam.

Ook ging hij nog vaak naar Alie en Marinus om de tuin te doen, vaak samen met vader Van Keulen.

Vader Korterink was in een aantal opzichten zijn tijd vooruit en zei vaak wijze dingen, o.a. dat er nog eens gebrek aan domme mensen zou zijn en ook dat er nog eens mensen op de maan zouden komen, iets wat in die tijd voor onmogelijk werd gehouden, al werd vader door de meesten wel serieus genomen.

1965

Tijdens de ‘Boeldag’ in 1965 in Slagharen, werd vader Korterink niet goed en in september werd bij hem een verstopping in de slagader van het linkerbeen geconstateerd met als gevolg dat het been eraf moest. Dat was een gevaarlijke operatie en de hele familie moest overkomen: Jannes en Jantje kwamen zelfs uit Nancy in Frankrijk. De familie bleef bij Alie en in de woonark overnachten. Vader Korterink was sterk en haalde het. Uit het ziekenhuis kwamen hij en moeder Korterink weer bij Alie en Marinus in huis.

1966

Begin 1966 ging vader Korterink een poos naar een revalidatiecentrum in Enschede om met een kunstbeen te leren lopen.

In de zomer van 1966 lukte het om de woonark te verkopen; hij ging naar Almelo.

Op 21 november 1966 gingen vader en moeder Korterink naar het bejaardentehuis Avondlicht in Dedemsvaart.

1971

In augustus moest vader Korterink naar het ziekenhuis (Hardenberg) wegens benauwdheid en kreeg daarna ook nog een hartinfarct. De hele familie kwam weer over. Jannes, die in de buurt van Parijs voer, werd via de radio opgeroepen. Vader knapte eerste weer wat op maar in de nacht van 18 op 19 september ging het fout en hij overleed begin van de middag.

In november verhuisde moeder Korterink in Avondlicht naar een kamer die uitzag op de binnenplaats.

1976

In de nacht van 8 op 9 februari 1976 overleed moeder Korterink in het ziekenhuis in Zwolle (De Wezenlanden) na een ziekte van enkele dagen.

Foto’s

Foto uit ca. 1910 van familie Korterink: v.l.n.r.: Rieks, Gerrit Jan, vader Johannes Korterink, moeder Aaltje Knol, Jantie, Hendrikje, Coba

Het schip de “Vertrouwen” van Gerrit Jan Korterink

Het schip de “Vertrouwen” van Gerrit Jan Korterink

Foto uit 1942 van familie Korterink: v.l.n.r.: Zwaantje, vader Gerrit Jan Korterink, Sieger, Janny, Jannes, moeder Aaltje Zuidersma, Alie

Trouwfoto van Jannes en Jantie

Trouwfoto van Marinus en Alie

De woonark (links) en sluis 8 (rechts)

De woonark vanaf de overkant

Overlijdensbericht van vader Korterink

error: Inhoud is beveiligd! ©HVAvereest