Meteen naar de inhoud

De Reest vaak bedreigd. 3

De regeling van het onderhoud van rivieren en waterlopen is in Drenthe vanouds in de eerste plaats een taak van het plaatselijk bestuur geweest, van de buurtschap, het kerspel en de marke. Deze maakten zelf hun verordeningen en voorschriften, de zogenaamde willekeuren. Daarin werden vaak de meest uiteenlopende zaken geregeld. Ze regelden zowel het leven van de gemeenschap als van het boerenbedrijf en de kerk. Ze bevatten ook voorschriften over het onderhoud van riviertjes en waterlossingen. Plaatselijke omstandigheden bepaalden deze voorschriften en het is dus begrijpelijk dat er in de Landschap van enige eenheid op het terrein van deze toch zo belangrijke waterstaatszaken geen sprake kon zijn. Het landrecht gaf wel enkele voorschriften, maar deze waren vooral repressief en hadden nauwelijks een verordenende strekking. Coert haalt ter illustratie twee artikelen uit het landrecht van 1712 aan, die ik hier onverkort laat volgen, omdat ze ook op de Reest betrekking hadden. ‘Wat wegen en anders schouwbaar zijn. De lantschrijver sal niet vermogen te schouwen anders als publijke herenwegen, ree- en kerkwegen, en de vonderen, gemeene herendijken, dammen, waterlossingen, tillen, bruggen, kerktuinen, en putten op de buurmarke. (Reewegen waren de wegen waarlangs lijken naar het kerkhof werden gebracht.) Iedereen zal in het zijne de stromen en waterlossingen behoorlijk opruimen ofte opgraven, so wijt als ’t behoort, dat de wateren eenen ruimen uitgang konden hebben, ook met schepen des noots zijnde gebruikt worden, te verstan de wateren, die daartoe bequaam zijn of van outs daartoe gebruikt zijn geweest; alles op poene van vijftien goutguldens bij een gemeente, en drie goutguldens bij een particulier te verbeuren. Ook zullen geene tuinen, palen, of dammen in rivieren gezet mogen worden om de cours van het water en het oplopen van de vis te beletten, mitsgaders te verhinderen, bij gelijke poene van vijftien goutguldens; en zullen alle palen, struiken en bomen in de rivieren of waterlossingen, liggende of hangende, om den loop der wateren te beletten, weggenomen ende afgehouwen moeten worden, bij de boete van vijftien goutguldens bij de gemeene buur, en de drie goutguldens bij een particulier te verbreken’.

Het toezicht op het onderhoud (de schouw van de waterstaatswerken) gebeurde door de buurschap zelf. Daartoe werden bij toerbeurt volmachten of gezworenen gekozen. Volgens Coert moet het niet altijd aantrekkelijk zijn geweest om tot dit ambt te worden geroepen. Op een weigering stond veelal een boete. Werden bij een schouw onvolkomenheden geconstateerd, dan volgde een geldboete en een naschouw. Bleek bij de tweede schouw, dat het werk nog niet naar behoren was verricht, dan werd de boete verdubbeld en werden de werkzaamheden op kosten van de nalatige verricht. Deze vorm van toezicht komt in belangrijke mate overeen met hetgeen de waterschappen nu ten opzichte van de ingelanden doen. Coert: ‘Methodistisch gezien is het systeem waterdicht. Althans nu, nu er nog slechts in beperkte mate onderhoud bij de ingelanden berust, levert het geen moeilijkheden op’. De schouw en alles wat daarmee verband hield heeft in Drenthe, voor de Franse Revolutie -en ook nog lange tijd daarna, grote moeilijkheden gegeven. De autonomie van het kerspel en het buurschap hebben altijd voorop gestaan, maar het landschapsbestuur moet zich al vroeg bewust zijn geweest van de territoriale beperktheid van het gezag van de kleine gemeenschappen in waterstaatsaangelegenheden. Met name de watergangen, die de grenzen van deze gemeenschappen overschreden en water naar de buren afvoerden of van hun omgeving ontvingen, waren een bron van moeilijkheden. Het bestuur van het Landschap bemoeide zich dan ook al vroeg met plaatselijke waterstaatszaken. Het heeft steeds getracht om er, door het geven van voorschriften, meer eenheid in te brengen en er op toe te zien dat de gegeven voorschriften zo veel mogelijk werden nageleefd. Dit toezicht kwam vooral tot uitdrukking in de zogenaamde overschouw, die jaarlijks twee keer door de landschrijver werd gehouden. Hij werd hier in bijgestaan door twee eigenerfden uit het gebied, waar hij schouwde. De overschouw was een doorn in het oog van de plaatselijke besturen. Niet alleen omdat het hier bemoeiing van de hogere overheid betrof, maar ook omdat de opbrengst van de opgelegde zware boeten voor de helft de landschrijver en voor de andere helft de drost toe viel.

Op de landdagen (een soort algemene jaarvergadering van de marken) werd dan ook herhaaldelijk getracht om de landschrijver uit dit deel van zijn ambt te verdringen. Coert gaat nogal nader in op de werkzaamheden van de landschrijver, ‘die zeker niet hebben bestaan in een terreininspectie van de schouwbare werken. Hiervoor was het aantal objecten te groot en hadden deze een te verspreide ligging’. Het daadwerkelijke schouwen werd gedaan door de daartoe door de buurschap aangewezen erfburen. De landschrijver moet op zijn rondreis hebben volstaan met het aanhoren van de verslagen van de beide schouwheren, wellicht in tegenwoordigheid van de plaatselijke schulte. De eerste verantwoordelijkheid voor de gevoerde schouw lag en bleef bij de volmachten. Aangenomen wordt dat vooral de schouw van de hoofdstromen, die een meer dan plaatselijk belang hadden, tot de taak van de landschrijver behoorde. Dat wordt van de boerwillekeur van Nijeveen afgeleid. De aangelande eigenaren waren de onderhoudsplichtigen. Het landrecht van 1712 stelde: ‘Iedereen zal in het zijne de stromen en waterlossingen behoorlijk opruimen ofte opgraven’.
Het onderhoud van alle stromen en waterlossingen moet voor de bevolking van Drenthe in vroegere tijden een bijzonder zware last zijn geweest. Bij de volkstelling in 1795 waren er maar 39.672 inwoners. De Drentse riviertjes, met vanouds groenland er langs, hadden een totale lengte van ongeveer 700 kilometer. Ook als men in aanmerking neemt dat de afmetingen van de oorspronkelijke riviertjes en lossingen maar gering zijn geweest, dan nog wordt het niet verwonderlijk genoemd dat de plaatselijke besturen grote moeite hadden om de waterstaatswerken in een redelijke staat te houden. Van tijd tot tijd schreef het landschapsbestuur een extra schouw uit en drong bij de ingezetenen op beter onderhoud aan. In 1664 richtte de Ridderschap en Eigenerfden zich met ‘een ordonnantie’ tot de ingezetenen. ‘Het voorgaande jaar moet wel heel wat regen hebben gegeven, aangezien vele klachten waren ontvangen over de slechte toestand van de rivieren en waterleidingen’. Deze ‘ordonnantie’ gaf een beeld van de betrekkelijk geringe mogelijkheden en machtsmiddelen van het landschapsbestuur terzake het onderhoud en de schouw der waterlossingen. Het was in belangrijke mate afhankelijk van de goede wil en medewerking van de plaatselijke besturen. Het wordt denkbaar geacht dat aan de drost, voor zo ver het particulieren heeft betroffen, alleen maar gevallen van ernstig verzuim en duidelijke onwil ter kennis zijn gebracht.

Heel anders moet de situatie zijn geweest tussen de kerspelen en de buurschappen onderling. ‘De grote onderlinge afhankelijkheid, die op het punt van de afwatering bestond, moet wel tot vele geschillen en tot ingrijpen van het landschapsbestuur, al dan niet met oplegging van boeten, hebben geleid’. In 1750 werd door het bestuur van de Landschap een extra schouw uitgeschreven. In een brief van 20 augustus 1750 droeg de drost de plaatselijke besturen op een schouw te voeren over alle wegen, stromen en waterlossingen, waarover schouw naar het landrecht gehouden diende te worden. Deze schouw werd gevoerd door de plaatselijke schulte en twee erfburen. Van deze buitengewone schouw zijn in het rijksarchief in Assen de schouwrapporten uit 52 marken aanwezig. In 1794, nog net voor de komst van de Bataafse Republiek, verscheen het eerste reglement op de waterleidingen in Drenthe. Het opmerkelijke van dit reglement wordt geacht, dat het alleen de wateren betreft. Tot dusverre waren de stromen en waterlossingen steeds in één adem genoemd met de wegen en andere schouwbare werken. De schouw diende voor 24 mei te worden gehouden. Het bezoek van de landschrijver viel tussen 24 mei en 24 juni. De tweede schouw zou vallen in de maand augustus. In het reglement werden de kerspelen opgedragen om in overleg met de schulte nieuwe willekeuren op te stellen voor het verbeteren en het onderhouden der wateren en die moesten ter goedkeuring aan de drost en gedeputeerde staten worden gezonden. ‘Het reglement bevatte als sluitstuk in zijn laatste artikel een soort vermanende opdracht. De toon hiervan is van een wat wonderlijke gemeenzaamheid’, stelt Coert. ‘Het lijkt wel of het landschapsbestuur het gevoel had met zijn aanbevelingen verder te gaan dan men zich als overheid kan veroorloven’. Het reglement, dat feitelijk geen verandering in de schouw bracht, heeft het maar een jaar uit gehouden.

De periode 1795-1801 blonk in bestuurlijk opzicht niet uit door duidelijkheid. In 1795 werd bepaald dat de schouw in de maanden juni en augustus moest worden gehouden. De rest schijnt verder helemaal aan de plaatselijke besturen te zijn over gelaten. ‘Van enig gewestelijk toezicht lijkt geen sprake meer’. In 1798 kregen de kerspelbesturen een instructie, die in wezen geen verandering betekende. Nog steeds werd er verwezen naar de oude reglementen. ‘Alleen missen we de toezichthouder, zoals we die gekend hebben in de figuur van de landschrijver’. Op 11 september 1798 werd er een buitengewone schouw over de wegen en de waterlossingen uitgeschreven. De toon had niets meer van de vriendelijke gemeenzaamheid, die de brief van 1794 van het landschapsbestuur kenmerkte. De plaatselijke besturen werden openlijk beschuldigd van wanbeheer en bedreigd met repressailles, die ongekend waren voor dit gewest. Het was duidelijk dat er anderen aan het bewind waren. Wegen en waterleidingen verkeerden in een toestand van verval. Dat was toe te schrijven aan verwaarlozing van de schouw, maar vooral aan het niet innen van de opgelegde boeten. De besturen kregen opdracht om met de uiterste oplettendheid de buitengewone schouw te voeren en zonder enige oogluiking straffen toe te passen. Boeten kwijtschelden mocht niet en de besturen waren aansprakelijk voor de niet geinde of kwijtgescholden straffen. De besturen moesten de schouwrapporten insturen. Deze brandbrief hielp, getuige de aantallen schouwrapporten en kwaad geschouwde eigenaren (die de zaak dus niet voor elkaar hadden). Het schouwrapport van Zuidwolde meldde bijvoorbeeld dat de waterweg van Jan Berents op Rabberinge zowel bij de schouw van 14 september als bij de herschouw van 28 september ‘kwaad bevonden’ is. ‘Hoewel de naam van de waterweg niet werd genoemd laat de plaatsaanduiding Rabberinge geen andere mogelijkheid over dan dat het hier over de Reest ging’.

In het reglement van 1803 -en gewijzigd in 1805- waarin veel bij het oude was gebleven, kwam de landschrijver ook niet meer voor en was door een inspecteur vervangen. Nieuw was de bepaling dat de aangelande eigenaren ter vergemakkelijking van de schouw alles uit de weg moesten ruimen wat een vrije passage van de inspecteur en keurnoten langs het water kon verhinderen. Van het echte schouwen door de inspecteur mag men geen al te grote voorstellingen maken; het echte werk verrichtten de erfburen, nu keurnoten geheten. Uit de stukken blijkt overigens dat de inspecteurs veel goeds voor de wegen en de waterlopen in Drenthe hebben gedaan. In de archieven valt van enig departementaal toezicht op het onderhoud van de waterlossingen ten tijde van de Franse overheersing niets te bespeuren. ‘Het lijkt aannemelijk dat in de periode 1811-1814 de schouw van de waterlossingen en stromen een volstrekt plaatselijke aangelegenheid is geweest’, noteerde Coert. Bij besluit van de koning van 7 juni 1817 werd Drenthe weer in de gelegenheid gesteld een inspecteur der wegen en waterlossing te benoemen. Voor die funktie bleek in de kring van de Drentse ‘heren’ grote belangstelling te zijn. Schulte J.Homan van Rolde werd benoemd. Zijn salaris was f 800,- per jaar. Hij hanteerde nog het reglement van 1805. Het nieuwe werd pas in 1828 goedgekeurd. De onderhoudsverplichting was niet opnieuw geregeld en men baseerde zich geheel op de vanouds bestaande situatie. Dat men terdege rekening had te houden met de bestaande verhoudingen blijkt wel uit het laatste deel van het eerste artikel. Aan de gemeentebesturen werd over gelaten om met de marken of boerschoppen, die met het onderhoud van bruggen, pompen, zijlen of dergelijke werken belast waren gebleven, schikkingen te treffen tot overneming van dit onderhoud. Coert noemt het begrijpelijk dat de provincie voorzichtig omsprong met de zo in de traditie en plaatselijke verhoudingen verankerde zaak van de schouw van wegen en waterlossingen. ‘Aantasten van deze reeds vanouds bestaande vorm van zelfbestuur zou op aanmerkelijke weerstanden zijn gestuit. Vanouds had men het toezicht van de gewestelijke overheid wel gedoogd, maar ook niet meer dan dat’.

De gemeentebesturen hadden de mogelijkheid om de schouw te delegeren naar de ingezetenen van de dorpen en de gehuchten. De notabelste ingezetenen kwamen er voor in aanmerking en zij werden schadeloos gesteld op basis van de uitgestrektheid van hun gebied. Zij moesten jaarlijks aftreden, maar waren direkt herkiesbaar. Weigerde men de benoeming of de herbenoeming, zonder dat er voldoende redenen waren, dan kostte dat f 25,- en de volgende keer zelfs het dubbele. Het reglement beperkte de schouwheren op een wat typische manier, door voor te schrijven dat aan hen geen eigenlijk gezag maar slechts werkzaamheden van toezicht en leiding mochten worden toegekend. Er werd overigens wel het één en ander van de schouwheren verlangd. ‘Slechts de meest gezaghebbenden uit de dorpen moeten tegen deze veelomvattende taak opgewassen zijn geweest’. Het onderhoud van de stromen en waterlossingen moest in de laatste tien dagen van mei en in augustus voor de 24e worden gedaan. De schouw werd in de eerste acht dagen van juni en de laatste week van augustus gevoerd. De gemeentebesturen waren niet gerechtigd buiten deze perioden te schouwen. Er was overigens ook de bepaling, dat de werken altijd schouwvrij dienden te worden gehouden. Ten aanzien van de schouw van riviertjes en tochten, die de grens uitmaakten met andere provincies, was het reglement bijzonder voorzichtig. Het kwam er op neer, dat als men het bij de buren niet zo nauw nam paste men zich in Drenthe daar wel bij aan. In geval van te hoge waterstanden in de periode van het maken van de schouw konden de gemeentebesturen andere schouwdata vaststellen. Er waren boeten gesteld op overtredingen van de in het reglement gegeven voorschriften: voor elk kwaad pand in stroomen en waterlossingen f 1,-, voor elken dam of tuin, in stroomen of watergangen geplaatst f 10,-, voor elke paal, als voren f 2,50, voor elke aalstal niet volgens de voorschriften f 15,-, voor tuin-, rik- of rijswerk niet volgens de voorschriften f 3,- en voor elk ontbrekend- of onduidelijk gesteld merkteken f 0,50. In het reglement van 1805 stond de bepaling dat bij het snijden van de begroeiing in de stromen beneden ieder pand een touw moest worden gespannen, om het wegdrijven van het vuil te voorkomen. In het reglement van 1828 kwam die bepaling niet meer voor. Coert: ‘Begrijpelijk, daar ook de huidige praktijk leert dat het niet wel mogelijk is om in stromend water met een touw het toestromende vuil te keren’. En wat kon je er aan doen als het touw onder de druk bezweek en het vuil wegstroomde? Het stroomde weg en je hoefde het elders immers niet meer op de kant te halen.

Nieuw was, dat bij het vernieuwen van bruggen geen gebinten in het midden van de stroom, of twee gebinten op verschillende afstanden van de oevers mochten worden geplaatst. Het reglement eindigde, zoals dat sinds 1794 min of meer gewoonte was, met de opwekking om ‘met ijver’ uitvoering aan het gestelde te geven. In 1837 onderging het reglement een aantal belangrijke wijzigingen, omdat het nieuwe reglement van Overijssel een aantal bepalingen bevatte, die ook voor Drenthe van belang waren. Al in 1831 was gevraagd het reglement te wijzigen. Het nieuwe reglement betekende een belangrijke stap op de weg naar een doelmatiger beheer van wegen en waterlossingen. Er werd namelijk een begin gemaakt met een duidelijke administratieve regeling van de objecten, die onder de schouw dienden te vallen. Vroeger had men weliswaar slagcedulen (slag is veld en cedule is eigen grondwet) gekend, waarop deze werken werden vermeld, maar met de komst van het kadaster kwamen er betere mogelijkheden. Het opmaken van de nodige tabellen heeft zowel het provinciaal bestuur als de gemeentebesturen grote moeite en problemen opgeleverd, mede door het feit dat er bezwaren tegen konden worden ingebracht. De moeilijkheden betroffen niet de vanouds aanwezige stroompjes en riviertjes, maar daar waar een marke was gedeeld en in cultuur genomen. Voor de afwatering van deze gronden moesten de nieuwe eigenaren, als ligging en afwatering van hun gronden dat vereisten, in overleg treden met de buren van een lager gelegen marke. Meestal ging het slechts over kleine veldlopen, die zich kronkelend door de laagste plaatsen in de heidevelden een uitweg zochten naar een grotere leiding om in uit te stromen. De meeste problemen ontstonden door het feit dat wat men vroeger in vrije wil had gedaan nu geen door de overheid opgelegde verplichting kon worden. Zo ontstonden in Zuidwolde moeilijkheden omdat deze gemeente de Egge als schouwbaar object aanmerkte.

De Egge voerde het water uit de marken Steenbergen en Kerkenbosch via de Vogelzangwijk af naar de Reest, maar eerst passeerde deze waterloop de marken van Schottershuizen, Linde, Nolde en het gebied van Schrapveen. Het waren dan ook de grondeigenaren in de drie eerstgenoemde marken die bezwaar aantekenden. In 1845 kwam er weer een nieuw reglement. De gemeenten moesten in de registers opnemen wie met het onderhoud van de weg of waterlossing was belast. Voor de waterlossingen gold de algemene regel, dat het onderhoud bij de aangelanden berustte. Het reglement gaf een hele reeks verbodsbepalingen, waaronder een voorschrift over de bevloeiingen (het blank laten lopen van stukken grond). In het reglement van 1852 verdween de provinciale inspecteur van het toneel en daarmee de overschouw door de provincie. Gedeputeerde Staten (GS, het dagelijks bestuur van de provincie) hielden wel een stok achter de deur, door te bepalen dat in geval van klachten over de onvoldoende staat van een waterlossing, een commissie uit hun midden deze watergang ter plaatse nader zou bekijken. Vanaf 1863 werden tal van Drentse waterschappen opgericht, waarvan Nijeveen-Kolderveen als eerste. Met de komst van de waterschappen begon de afbraak van de waterbeheersingstaak van de gemeenten, een proces dat meer dan een eeuw duurde. Naast de gemeenten moesten nu ook waterschaps- en veenschapsbesturen leggers aanleggen, wat een belangrijke stap voorwaarts wordt genoemd. Nu werden ook de afmetingen van de waterleidingen genoemd, alsmede de daarin voorkomende kunstwerken. Voor het maken van dammen, bruggen, vonders, schutten of andere werken in de waterleidingen was een vergunning nodig van GS.

Het reglement op de waterschappen heeft in zijn werkingsduur, van meer dan een eeuw lang, een groot aantal wijzigingen ondergaan. In 1901, 1911, 1926, 1951 en 1957 werden ze in nieuwe uitgaven samen gevat. De wijzigingen waren veelal van administratieve aard of ze hadden betrekking op schouwdata. Over die schouwdata is veel te doen geweest. Vanouds waren zij scherp omschreven. In de 20e eeuw verdween de voorjaarsschouw vrijwel geheel. Er kwam een najaarsschouw voor in de plaats. De voorjaarsschouw werd vervroegd. Er kwam ook de mogelijkheid van een buitengewone schouw. De Reest, die ook in juli werd geschouwd, kende zo’n buitengewone schouw. Na 1945 is heel Drenthe in waterschapsverband opgenomen. De gemeentelijke taak ging in veel gevallen over naar de waterschappen. Vrijwel alle werken voor waterbeheersing zijn bij de waterschappen in onderhoud. Het onderhoud van de verbeterde waterleidingen is vrijwel geheel gemechaniseerd, wat onder meer wil zeggen dat er voldoende brede onderhoudspaden langs moeten liggen. Ten tijde dat Coert zijn bijdrage voor ‘Drenthe in de kaart gekeken’ schreef, waren de waterschappen nog niet bereid de Reest in onderhoud te nemen. Dat is intussen wel het geval. Overijssel wilde het langzame afstervingsproces van de gemeentelijke leggers niet afwachten en bracht het beheer en het toezicht van het Overijsselse deel van de Reest bij het waterschap Benoorden de Dedemsvaart. Coert: ‘De problemen van het onderhoud zijn hiermee niet opgelost, maar wel kwam de zorg te liggen waar ze thuishoorde: bij de waterschappen’.

Vroeger heeft er ter hoogte van Haalweide een verbinding bestaan tussen de Hoogeveensche Vaart en de Reest. Pijnacker geeft die verbinding op zijn kaart van 1634 de naam Wyter Laeck. Hij tekende er zelfs een kunstwerk in, maar Coert oordeelt dat er van een keerschut geen sprake is geweest. Die verbinding is er niet meer en er zijn ook geen sporen van terug te vinden. Wijkenaar W.Koops schreef in de Drentsche Volksalmanak van 1885 over deze oude verbinding onder andere: ‘Beneden het eeuwenoude erve de Eemten had dit diepje (Echtense A) gemeenschap met de Reest, door middel van een kronkelend stroompje, hetwelk nog op sommige kaarten voor komt en hoogstwaarschijnlijk de natuurlijke scheiding tusschen de gehuchten Eemten en Haalweide heeft uitgemaakt’. Toen was er nog iets van in het terrein te ontdekken. De werkelijke afstand tussen de Hoogeveensche Vaart en de Reest was ter plaatse ongeveer 600 meter. Het ontbreken van enige vorm van beekdalafzetting op de bodemkaart moet volgens Coert tot de conclusie leiden dat de Wyter (ook wel Witter) Laeck een gegraven verbinding is geweest, waarschijnlijk tegelijk met de Hoogeveensche Vaart gerealiseerd. ‘Het keerschut in de verbinding wijst op de mogelijkheid om overtollig water naar de Reest af te laten. Gezien de hoogteligging van de gronden bij de Reest en het kanaalpeil is de mogelijkheid van watertoevoer naar het kanaal minder aannemelijk’. In 1839 hebben de toenmalige beheerders van de Hoogeveensche Vaart, de Algemene Compagnie van 5000 morgens, getracht om de Wyter Laeck in ere te herstellen. De toevoer naar het kanaal was zo groot geworden, dat het deze niet meer kon verwerken. In een brief aan GS van Drenthe werd medewerking voor het maken van een lozing naar de Reest gevraagd. Men meende hierop recht te hebben daar de Dedemsvaart ook het overtollige water op de Reest bracht. GS hebben geen medewerking verleend. Zij oordeelden dat het hopeloos verouderde kanaal andere verbeteringen nodig had dan een ‘nooduitgang’ naar de Reest.

Willem Wind

error: Inhoud is beveiligd! ©HVAvereest