Wie herinnert zich de broodvissers

De wateren in en rondom Dedemsvaart zijn van groot belang geweest voor het vervoer van mensen en goederen (turf), maar ook omdat erin gevist kon worden. Met name in de beginjaren van de vorige eeuw waren hier ook veel ‘visstropers’. Deze woonden veelal achteraf of op wijken en zetten fuiken uit, gemaakt van gaas. Dat was verboden. Als ze hierop betrapt werden volgde meestal een bekeuring met een flinke boete. In die tijd kende onze streek echter ook een aantal mensen die het beroep van ‘broodvisser’ uitoefenden.

Omvlee

De woning van de familie Omvlee aan de Langewijk.

Eén van hen was Kobus Omvlee. Hij woonde destijds aan de Langewijk nr. 137, bij kippen-slachterij Plukon, in een oud boerderijtje. Tot aan het dempen van de Langewijk in de zestiger jaren hebben de bewoners van dit huis steeds met een bootje voor alles en iedereen moeten overvaren. De vis die toen in de wijde omgeving werd gevangen was voornamelijk voorn, blei, snoek, baars, meun, zeelt en paling.

Hard beroep

Het beroep van broodvisser was een hard beroep. Men moest ‘s morgens voor dag en dauw uit de veren en `s avonds nog laat het vistuig in het water uitzetten. Vaak kwam men doornat thuis. Destijds was er nog geen sprake was van kleding waarin men droog kon blijven en goede, waterdichte laarzen waren destijds bijna niet te betalen. Voor het vissen gebruikten de broodvissers een plat houten bootje. Middenin, over de breedte van de boot, was op een simpele wijze een bewaarplaats voor de gevangen vis, een zogenaamde ”ka” aangebracht. In deze ”ka” zaten in de bodem en zijkanten kleine gaatjes, zodat het geheel met het open water in verbinding stond. Als afdekking lagen over de ka wat schotjes, waarover men kon lopen. Een ideale bewaarplaats waar de vis dagen lang in kon blijven leven.

Gewoonlijk werden er tegen de avond fuiken uitgezet, die ’s morgens vroeg werden leeggehaald. Voor de gevangen vis hadden ze meestal hun vaste afnemers onder de boeren, burgers en buitenlui.

De vissers hadden gewoonlijk een flink stuk land bij hun huis, waarop ze alles wat ze nodig hadden aan groenten, aardappelen, bonen, rabarber, wortels, bieten enzovoorts zelf verbouwden. Soms hadden ze ook nog een koe, wat geiten voor de melk, een paar varkens, schapen, een hok met kippen, konijnen en vaak nog een paar korven met bijen. Wanneer ze niet visten hadden ze daarmee bij huis meer dan voldoende werk.

Dedemsvaartse Courant, 28 januari 2016