Geert Jager (1811-1867)

Een Dedemsvaarter die van vele markten thuis was.

Hieronder wordt een levensbeschrijving gegeven van een historische figuur uit Dedemsvaart die vele hoedanigheden in zich verenigde. Het gaat hier om de veehouder, boterhandelaar, winkelier, caféhouder en timmermansbaas (aannemer) Geert Jager. Hij werd in 1811 geboren te Vledder (Dr) als zoon van Willem Jager en Roelofje Liest. Omstreeks 1848 trouwde hij met Aaltje Vroom, een schippersdochter uit het Noordgroningse Aduard. Het paar verhuisde naar het stadje Ommen, waar Geert als timmerman werd ingeeschreven. Er werden daar uit hun huwelijk een aantal kinderen geboren. Rond 1856 verhuisde Geert Jager met zijn gezin naar Dedemsvaart. Zij gingen wonen aan het westeinde van de Langewijk bij het eind van de eerste zuidelijke zijwijk van de Sponturfwijk. De daar staande woning had hij samen met de wijk en een aantal daaraan gelegen percelen “kampen” grasland gekocht van de blauwverver Hendrik Tinholt. Hoewel Geert Jager ingeschreven stond als timmerman, was hij hier tevens boer (veehouder). Op het grasland achter het huis graasden een paard en enkele koeien, waaronder die van het zogenoemde “lakenvelder” ras. Op de deel was stalruimte voor een aantal beesten. Op het land stond ook nog een arbeiderswoning, die Jager had verhuurd aan Johannes Menzo. Deze was een uit Utrecht afkomstige barbier, terwijl diens vrouw Trijntje Wierth helemaal uit Antwerpen kwam. In de loop der jaren kreeg de tot dan toe nog onbenoemde wijk achter de woning een naam en deze werd (naar de eigenaar) de Geert Jagerswijk genoemd.

Het westelijk deel van de Langewijk in 1937. Achter het witte hek stond het huis
van de familie Jager.

In Dedemsvaart werd het gezin nog uitgebreid met enkele kinderen. Hun eerste kind dat hier geboren was, ook Geert geheten, was echter al in het eerste levensjaar gestorven. Toen er enkele jaren later opnieuw een jongetje werd geboren kreeg deze vanzelfsprekend de naam Geert Jager. Zoals vermeld stond Geert Jager in de gemeente Avereest als timmerman ingeschreven, wat ook zijn hoofdberoep was. Al spoedig moet hij in dit vak als zelfstandig ondernemer zijn opgetreden en enkele werklieden in dienst hebben gehad. In diverse bescheiden wordt hij namelijk ook als timmermansbaas dan wel als aannemer vermeld. Hij zal voornamelijk betrokken zijn geweest bij de bouw van woningen, wat in die jaren bij de zich toen sterk uitbreidende veenkolonie Dedemsvaart veel het geval was. Ook is bekend dat hij belast was met de bouw- en/of onderhoudswerkzaamheden van koloniehuisjes bij de Ommerschans. Naast zijn aannemerij en veehouderij had Geert Jager ook nog een botermakerij, een winkel en een drankgelegenheid aan huis.

De botermakerij

Ongetwijfeld zal Jager, althans zijn vrouw zich bezig hebben gehouden met het maken van boter. Ze hadden immers zelf de beschikking over enig melkvee. Maar hun botermakerij was toch van wat meer belang. De grootschaliger activiteiten die daar plaatsvonden hadden echter minder met het boter maken zelf dan wel met de verpakking er van te maken. Dat ging als volgt: Eén dag in de week gingen Geert Jager en zijn vrouw er met paard en wagen op uit om bij boeren boter op te kopen. De boter werd hierbij waarschijnlijk geruild tegen winkelwaren zoals in die tijd nogal gebruikelijk was.

Als ze thuiskwamen werd de boter in vaatjes gedaan, soms werkten ze daarbij de gehele nacht door. Al vroeg in de ochtend vertrok hij dan met de vaatjes boter naar de markt in Zwolle om die daar te verkopen. In die tijd was een reis naar Zwolle niet zonder gevaren. Zo overkwam het Geert Jager eens dat hij op de lange eenzame weg terug naar huis (vaak met een goed gevulde geldbuidel naast zich op de wagen) door een struikrover werd overvallen. De onverlaat bracht het paard tot stilstand en sprong vervolgens op de wagen. Maar tot verbazing van de hevig geschrokken Geert Jager bracht de dader zijn misdadige voornemens niet tot uitvoering. Deze sprong namelijk even snel weer van de wagen als hij er op was gekomen en maakte zich snel uit de voeten … Niettemin werd de dader korte tijd later door de veldwachter gearresteerd. Dit kwam echter niet door de door Geert Jager bij de politie gedane aangifte van het voorval maar was het gevolg van een andere door de dader gepleegde beroving. Hierbij werd hij door de politie ook over andere nog niet opgehelderde berovingen aan de tand gevoeld. Uiteraard kwam hierbij ook het geval van de mislukte poging bij Jager aan de orde. De verklaring waarom die beroving in het pogings-stadium was blijven steken was even verbazingwekkend als opmerkelijk. De rover had niet meer gedurfd, omdat er naast Jager nog iemand bleek te zitten….

Bovengenoemd verhaal doet sterk denken aan een uit wellicht wat vroegere tijd daterende overlevering. Bij dit andere verhaal stond de persoon van de eerste evangelist aan de Dedemsvaart, Jan ter Vaart Prins (1781-1861) centraal. Deze was een uit Hoogeveen afkomstige veenarbeider.

Het huis van het gezin Jager.

Zijn evangelisatiewerk werk werd echter niet door alle veenwerkers even goed op prijs gesteld. Hij werd dan ook wel eens door beschonken veenwerkers gemolesteerd, meer precies “met zijn hoofd in de modder gezet”. Het verhaal gaat dat hij eens door kwaadwilligen onder valse voorwendsels naar “achter op” het Zwartepad werd ontboden. Er zou daar iemand op sterven liggen. Onderweg zouden ze hem dan opwachten om hem een flink pak slaag te geven om hem zijn “vrome praatjes” af te leren. Toen Jan ter Vaart op het opgegeven adres aankwam was hij hoogst verbaasd een ieder daar in goede gezondheid aan te treffen. Zijn hulp was in het geheel niet nodig. Later werd het geval opgehelderd. Eén van zijn belagers had hem namelijk eens ter zijde de vraag gesteld, wie toch die persoon was die er daar die nacht op het Zwartepad steeds naast hem liep. Jan had toen verbaasd opgemerkt dat hij toen helemaal alleen was geweest…. Ook in dit verhaal is er sprake van een reddende engel, in deze gevallen de beschermengel. Overigens beschikte Jan ter Vaart later zelf over een “lijfwacht”. Deze was aan hem persoonlijk door zijn vriend de baron van Dedem toegewezen. Het was hier een van de veenopzichters van Van Dedem, een persoon met een forse gestalte waar iedereen bang voor was als je die in het donker tegen zou komen. Dit was gebeurd na het bovenbeschreven incident waarbij Jan ter Vaart “op zijn kop in de modder was gezet”. Het is dan ook moeilijk om vast te stellen in hoeverre het wonderverhaal van de engel en de werkelijkheid van de veenopzichter/lijfwacht elkander overlapt. In ieder geval stonden met name de veenstreken erg bekend om de bijgelovigheid en deden deze verhalen het op de lange en donkere winteravonden heel goed. De uit de veenzompen opstijgende dampen en nevels in al hun vormen en verschijnselen moeten meermalen de inspiratiebron (al dan niet versterkt door het gebruik van alcoholische dranken) zijn geweest van veel spook- en griezelverhalen. Voor spookverhalen met een sterk “griezelgehalte” leze men: N.W.H. Rijnhart, “Spoken in Dedemsvaart”, in H.V.A. 1995/2, blz. 20-23., alsook ” Voarts an de voart” van J.F. van Haeringen (1991, blz. 13). In de hierboven genoemde verhalen liep het echter allemaal toch nog goed af en ook Geert Jager kwam heelhuids weer thuis. Ook de hond kreeg weer gelijk. Dit hondje van Geert Jager, dat luisterde naar de naam “Pétit” (frans voor “klein”) ging namelijk altijd – zonder gezien te hebben in welke richting zijn baas met zijn wagen vertrokken was – altijd naar de goede richting gekeerd zitten om zijn baas bij thuiskomst op te wachten.

Nadat Geert Jager in 1867 overleden was zette zijn weduwe Aaltje Vroom, samen met haar zoon Willem de zaken voort, met uitzondering van de aannemerij. In 1877 overleed Willem op nog jonge leeftijd van 27 jaar. Een andere zoon, Geert was reeds elders als onderwijzer werkzaam. In feite stond Aaltje Vroom er toen helemaal alleen voor. Zij ging echter wel verder door met het doen van zaken. Ook zij reisde met paard en wagen naar de markt te Zwolle. Er reisden dan ook veel vrouwen uit Dedemsvaart met haar mee, die ook naar de markt wilden. Eentonig was deze reis bepaald niet want Aaltje Vroom kon mooi vertellen. De meeste verhalen die zij vertelde had zij kort tevoren in de Zwolse Courant in de feuilleton rubriek gelezen. Na het overlijden van Aaltje Vroom werd de winkel/zaak annex woning verkocht. In latere jaren oefenden o.a. de familie Van Keulen en de fa. Oosterveen op dit oude adres er hun nering uit.

Wim Visscher