Frederik Boterman (1796-1879)

Frederik Boterman werd op 13 juli 1796 te Dalfsen geboren. Zijn vader, Frederik Gerrits, vestigde zich met zijn gezin omstreeks 1800 vanuit Dalfsen te Nieuwleusen. Het is waarschijnlijk dat Willem Jan baron van Dedem tot de Rollecate, zelf ook afkomstig uit Dalfsen, de vader naar Nieuwleusen gehaald heeft om daar voor hem de ontginning ter hand te nemen. De baron was in 1799 door vererving eigenaar geworden van het Nieuwleusener landgoed Oosterveen van zijn schoonvader Mr. Gerrit Willem van Marle. Van Dedem wilde direct met de ontginning van het bij het landgoed behorende gebied beginnen. Frederik Gerrits werd daar tevens landbouwer. In 1821 trad de zoon Frederik Boterman, die zijn inmiddels al vele jaren overleden vader als landbouwer was opgevolgd, in het huwelijk niet Aaltje Derks. Zij was de 25-jarige weduwe van de in 1820 jong gestorven landbouwer Arend Schuurman, uit welk huwelijk zij twee nog zeer jonge kinderen, Derk en Geertje, meebracht. Baron van Dedern – de initiatiefnemer van de aanleg van het kanaal dat later de Dedemsvaart ging heten – had omstreeks 1822 bij de zich daar toen ontwikkelende veenkolonie aan een zijwijk door zijn veengronden enkele kalkovens laten bouwen. Omdat hij de leidinggevende capaciteiten van Frederik Boterman kende, had Van Dedem hem aangezocht om hoofd van zijn kalkfabriek te worden alsmede om voor hem als hoofdopzichter (veenbaas) bij de exploitatie van zijn aldaar gelegen venen op te treden. Boterman nam dit veelbelovende aanbod zonder aarzeling aan en vestigde zich toen pas getrouwd metterwoon in de nieuwe veenkolohie vlak bij de kalkovens in een door de baron gebouwde grote boerderij. In de tien jaren die daarop volgden, maakte hij als Van Dedems naaste medewerker alle ups en downs van diens kanaalonderneming van zeer nabij mee. In die tijd, waarin wegens op één volgende financiële moeilijkheden de werkzaamheden aan het kanaal zelf nagenoeg stillagen, zijn er toen onder leiding van veenbaas Boterman een aantal zijwijken van de Sponturfwijk en de Langewijk tot stand gekomen. Een gedeelte van zijn woning, deze was als centrum van de jonge kolonie gedacht, had hij bestemd tot café en logement annex winkel. Naast al deze werkzaamheden breidde ook zijn gezin zich allengs uit. Naast de twee inwonende kinderen Schuurman werden er in het gezin nog zeven kinderen Boterman geboren.

Toen in 1837 de gemeenteraad van de gemeente Avereest als gevolg van gebiedsuitbreiding werd vergroot, ging ook Boterman daarvan als raadslid deel uitmaken. Al spoedig volgde toen zijn benoeming tot wethouder. Omdat de raad toen al enige tijd in een lokaliteit van zijn herberg vergaderde en de burgemeester, Mr C.W. baron van Dedem, op het landgoed De Rollecate te Nieuwleusen resideerde, lag het min of meer voor de hand dat Boterman tevens als ambtenaar van de burgerlijke stand ging fungeren. In feite was huize Boterman hiermee officieel tot gemeentehuis verheven. Deze bijzondere status van de woning, niet in het minst in relatie tot haar hoofdbewoner -Boterman was intussen al enkele jaren eigenaar van de woning- zou bijna twaalf jaar voortduren. Door deze centrumfunctie van het huis, waarbinnen zich bijna het gehele maatschappelijke en politieke leven van de gemeente Avereest afspeelde zo hield ook Mr. C.W. van Dedem daar als notaris op gezette tijden zitting- wist Boterman als geen ander wat er zoal in de gemeente te koop was. Omdat ook de post te zijnen huize werd besteld en afgehaald en hij er bovendien een rijtuigenverhuurbedrijf op na hield, fungeerde de woning tevens als onmisbare verbindingsschakel in het interlocale verkeer. Naast al zijn activiteiten in de burgerlijke gemeente liet hij zich ook op kerkelijk terrein niet onbetuigd. Zo maakte hij vanaf het ontstaan van de Nederlands Hervormde gemeente te Dedemsvaart in 1834 als notabel deel uit van het College van Kerkvoogden en Notabelen. Ook maakte hij zich in 1839 door schenking van een stuk grond ten behoeve van de schoolbouw te Sluis VI verdienstelijk.

Inmiddels was Boterman door aankoop van veengronden, meest gelegen bij de Sponturfwijk, afkomstig uit liquidatieverkopingen uit het bezit van Van Dedem, voor eigen rekening gaan vervenen en daardoor ook zelfstandig vervener geworden. Niettemin zou hij daarnaast nog tot 1845, het jaar van de algehele liquidatie van Van Dedem’s bezittingen, zijn functies als hoofd van de kalkovens en zijn administrateurschap over de uitgestrekte veenderijen van Van Dedern & Co blijven vervullen.

Omdat de glorie van de heer neerscheen op het hoofd van de knecht had hij zich in de loop van de jaren weten te ontwikkelen tot de meest invloedrijke inwoner van de gemeente Avereest. Zo was het dan ook vanzelfsprekend dat hij in 1841 werd benoemd tot directielid van de in datzelfde jaar, overigens mede door hemzelf, opgerichte zogenaamde Avereester Veendirectie. Het betrof hier een voornamelijk loontarief regelende organisatie. De oprichting ervan was een gevolg van een al eerder in 1836 plaatsgevonden opstand van de turfgravers aan de Dedemsvaart en de daardoor ontstane schade. Hierdoor werd door de verveners de noodzaak gevoeld om zich te gaan organiseren. In 1837 was daartoe door een uit hun midden gekozen commissie, waarvan ook Boterman lid was, een reglement op de veenafgravingen in de gemeente Avereest opgesteld. Dit (ontwerp)-reglement haalde het echter niet omdat het in de toenmalige liberale ogen van het College van Gedeputeerde Staten als strijdig met de contractsvrijheid geen genade kon vinden. Eerst nadat er enkele jaren later, in 1840, opnieuw stakingen en onlusten dreigden uit te breken -waartoe er vanuit Zwolle 100 dragonders naar huize Boterman gedirigeerd waren- had Boterman, nu met succes, een nieuwe poging om een veendirectie in te stellen gedaan. Hij zou tot 1853, het jaar waarin de organisatie tengevolge van hooglopende meningsverschillen tussen de directieleden zou worden ontbonden, directielid blijven.

In 1855 trof de familie Boterman een gevoelige slag door het omkomen van de oudste, 33-jarige, zoon Gerrit, als beroepsmilitair in het Nederlands Oostindische leger te Palembang. Al eerder had Boterman de meeste van zijn openbare functies neergelegd. De indruk ontstaat dat het abrupte einde van de Dedemsvaartse Wan Dedem-dynastie” – het overlijden van de oude baron in 1851 en het zeer korte tijd daarop gevolgde bedanken van de zoon als burgemeester- tevens het begin inluidde van de 4fneming van de politieke en maatschappelijke betekenis van Boterman. Voortaan zou hij zich in hoofdzaak gaan toeleggen op zijn veenderijonderneming. Hij had deze door aankoop van veen aan de Sponturfwijk, te Ambt Ommen en in het Lutterveen weten uit te breiden tot ongeveer honderd hectare. Een door zijn veenderij aan de Sponturfwijk lopende brede boksloot, van de Langewijk naar het Strooiendorp, ging al spoedig naar hem de Botermanswijk heten. Op de daar ontveende grond zette één van zijn te Dedemsvaart woonachtig gebleven zonen, anderen waren naar de U.S.A. geëmigreerd, later een boerderij. De weg daar naartoe langs de later dichtgegroeide Botermanswijk zou nog lange tijd in de volksmond het Botermansweggetje genoemd worden.

De bekendheid van Boterman steeg ver uit boven de regio tot zelfs in Drenthe toe. De bekende 19e eeuwse schrijver-journalist Harm Boom uit Assen, die Boterman op hoge leeftijd eens opzocht, omschreef hem als een persoon “wiens naam aan menig werk van de Dedemsvaart is verbonden. Een man die een eervolle bladzijde uit de geschiedenis van de Dedernsvaart heeft geschreven en nog lang genoemd zal worden”. De “onderkoning van de Dedemsvaart” overleed enkele jaren na de dood van zijn vrouw op 23 april 1879 op 82-jarige leeftijd. De Botermanswijk en het gelijknamige weggetje; ze zijn er niet meer. Ook de eertijds zo bekende boerderij, Dedemsvaarts eerste multi-functionele centrum, is al bijna een eeuw geleden door brand volledig van de aardbodem weggevaagd.

Thans herinnert er te Dedemsvaart in het geheel niets meer aan de veelzijdige Avereester historische figuur Boterman.

Wim Visscher