DE OMMERSCHANS

Johannes v.d. Bosch  

Als men over de Ommerschans als bedelaarskolonie wil schrijven kan men niet om Johannes van den Bosch heen. Hij was de man, die in januari 1818 een brief schreef aan Koning Willem I, waarin hij deze mede deelde, dat een groot aantal onderdanen de Maatschappij van Weldadigheid wilden oprichten. Prins Frederik, één der zonen van de Koning, was beschermheer van de Maatschappij. Het doel van deze Maatschappij was om de grote armoe die er in die jaren heerste, te bestrijden. De teruggekeerde soldaten uit het legioen van Napoleon konden moeilijk of geen werk krijgen en trokken bedelend door de dorpen en de steden. Van den Bosch en zijn Maatschappij meenden hun te kunnen helpen door hen grote stukken woeste grond te laten ontginnen en het laten maken van goederen, die tegen gezette prijzen verkocht zouden worden.

Voordat we verder ingaan op de Maatschappij van Weldadigheid en de Ommerschans willen we eerst uitvoerig stilstaan bij de grote organisator van deze Maatschappij, die er zijn levenswerk van gemaakt heeft.

Johannes van den Bosch werd op 2 februari 1780 geboren als zoon van een arts in het Gelderse Herwijnen. Het lag in de bedoeling van de oude Van den Bosch dat zijn zoon hem in zijn voetsporen zou volgen, maar Johannes was veel te rusteloos van karakter om van ziekbedden zijn dagtaak te maken. Hij voelde veel meer voor de militaire dienst en ging dan ook een opleiding voor genie-officier volgen. In het toenmalige Nederlands Oost-Indië was een groot gebrek aan officieren en toen van den Bosch aanbood op eigen kosten daarheen te gaan, werd hij snel geaccepteerd. Via Kopenhagen (ons land was namelijk nog in oorlog met Frankrijk en regelrechte scheepvaart met Indië was daarom niet mogelijk), vertrok van den Bosch naar Indië waar hij in de loop van 1799 aankwam. Hij kreeg de rang van le luitenant met een salaris van f 50,– per maand. In Indië maakte hij vlot carrière, zowel in militaire dienst als daarbuiten. In 1801 werd van den Bosch capitain-adjoint bij gouverneur-generaal van Overstraten. In datzelfde jaar stierf van Overstraten en ook onder zijn opvolgers steeg van den Bosch snel in rang. In 1804 werd hij majoor en in 1807 adjudant-generaal. De steun van adjudant-generaal S. de Sandol Roy, wiens dochter van den Bosch in 1804 huwde, zal stellig van invloed zijn geweest. De tijd die de dienst hem overliet besteedde hij aan de landbouw. Hij kocht een groot stuk moerassige grond aan in de omgeving van Batavia, liet het draineren en maakte er vervolgens rijstvelden van. Als arbeidskrachten schakelde hij mensen in, die geen zinvol bestaan hadden. Van den Bosch stak veel op bij een Chinese landbouwer, met wie hij zich later associeerde. De resultaten die zij boekten waren zo gunstig dat de landerijen na acht jaar verkocht konden worden tegen acht keer de aankoopprijs.

Inmiddels was Daendels naar Java gekomen en deze begon met een grote reorganisatie. Ook de schoonvader van Van den Bosch werd van zijn commando ontheven en met een zending naar Holland gestuurd. Dit was vermoedelijk ook voor Van den Bosch aanleiding om ontslag te nemen uit de militaire dienst en met ingang van 18 mei 1808 werd hem eervol ontslag verleend in de rang van kolonel. Hij bleef voorlopig nog in Indië maar op last van Daendels moest hij in november 1810 naar Nederland terugkeren. Het schip, waarmee de thuisreis gemaakt werd, viel bij Bordeaux in handen van de Engelsen. De oorlog tussen Frankrijk en Engeland was nog steeds gaande en omdat Holland onder Frankrijk viel, werd het schip oorlogsbuit. Van den Bosch is vermoedelijk tegen een Engelse officier uitgewisseld, want na een aanvankelijke internering vestigde hij zich in 1813 in de buurt van Gorkum.

De Franse overheersing liep daarna snel ten einde en de militair Van den Bosch werd ingeschakeld in de organisatie van het nieuw te vormen Nederlandse leger. Hoewel van den Bosch steeds hoger in rang klom, in 1816 was hij reeds generaal-majoor, worden er geen bijzondere prestaties op militair gebied van hem gemeld. Wel was koning Willem opmerkzaam gemaakt op de verdiensten van Van den Bosch en wat dat betekende zal later blijken.

In 1818 werd de Maatschappij van Weldadigheid opgericht, welke tot doel had de verpaupering van de steden tegen te gaan. Zo werden Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord, respectievelijk genoemd naar Prins Frederik, de beschermheer van de Maatschappij, Koning Willem en Prinses Wilhelmina, gesticht. Na enkele jaren kwamen de Ommerschans (1820) en Veenhuizen (1824) daar nog bij. Dezen waren bestemd voor bedelaars en wezen.

Bebouwing in de Ommerschans.

Van den Bosch woonde afwisselend in Den Haag en Steenwijk, maar vestigde zich later in Frederiksoord. In 1823 kreeg hij weer een militaire functie toen hij benoemd werd tot administrateur bij de Nationale Militie en Schutterij. Daarnaast had hij zitting in diverse staatscommissies. Koning Willem, die zijn organisatorische capaciteit en erg waardeerde, haalde hem in 1827 weg uit zijn geliefde Maatschappij en stuurde hem naar West-Indië, om daar orde op zaken te stellen. Hoe Van den Bosch zich ook verzette en bepleitte dat hij in Drenthe niet gemist kon worden, hij moest gaan. Wel wist hij de benoeming tot gouverneur-generaal ongedaan te ma ken en te bewerkstelligen dat hij met een tijdelijke zending als commissaris-generaal ging. In december 1828 arriveerde van den Bosch op Curaçao. Het was de bedoeling van de Koning om van dit eiland een algemene markt te maken voor de West-Indische Archipel en het omliggende vasteland. Daarom werd Curaçao tot vrijhaven verklaard. Om de handel het nodige crediet te verlenen, werd de Curaçaose Bank opgericht. Vervolgens werd een bezoek gebracht aan de andere eilanden van de West-Indische Archipel en werden overal maatregelen getroffen, opdat deze eilanden voortaan zonder Nederlandse steun zouden kunnen rondkomen. In april 1828 kwam van den Bosch in Suriname aan en trof daar een desolate inboedel aan. Er heerste een wanordelijke toestand en de corruptie vierde hoogtij. Met kracht werd orde op zaken gesteld en na twee maanden werd er reeds een regeringsreglement van kracht. Dit reglement voorzag in een goeverneur-generaal, die over Suriname en de eilanden geplaatst werd en daartoe vergaande bevoegdheden kreeg toebedeeld. Verder werd er een duidelijke scheiding aangebracht tussen de administratieve en rechterlijke macht en werd het bestuur geheel gereorganiseerd. De positie van de slaven werd aanmerkelijk verbeterd; golden ze tot dusverre als “zaken”, nu werden ze juridisch als “onmondig” bestempeld en dus als “personen” beschouwd. Een raad-commissaris werd belast met het toezicht over de inlanders en slaven om ze tegen willekeur te beschermen. Er zouden reglementen komen voor werktijden, voeding en kleding van de slaaf.

In augustus 1828 keerde van den Bosch terug naar zijn moederland. Op 16 oktober, nog geen maand na aankomst in Nederland, benoemde Koning Willem Van den Bosch tot gouverneur-generaal van Oost-Indië. Van den Bosch werd naar Oost-Indië gestuurd om de bijdragen, die de koloniën ten tijde van de bloei van de Oost-Indische Compagnie aan de welvaart in Holland leverden, weer op te vijzelen.

Omdat generaal De Kock in oktober 1829 was vertrokken, was Van den Bosch tevens opperbevelhebber van de troepen. Hij was inmiddels benoemd tot commissaris-generaal met een vrijwel dictatoriale macht. Een bewijs dat de koning een uitgesproken vertrouwen in hem had. Van den Bosch kon echter niet meer aarden in de kolonie en na een mistroostige brief kreeg hij toestemming om weer naar Nederland terug te keren. Het duurde echter tot 18 mei 1834 voordat van den Bosch in Den Helder weer voet aan vaderlandse wal zette en twaalf dagen later werd hij minister van Koloniën.

De resultaten op Java werden hoe langer hoe beter, maar even snel stegen de financiële noden in Holland. Vooral de oorlog met België kostte erg veel geld en Indië was het kind dat de rekening moest betalen. Toch bleef het jarenlang de kurk waar Nederland financieel op bleef drijven. Aan het einde van de jaren dertig barstte echter de kruik. Het parlement verlangde inlichtingen over de situatie en in een geheime zitting verdedigde Van den Bosch zijn beleid. Hij stelde tevens voor om een lening aan te gaan van f 56.000.000,–. F 40.000.000,– wilde hij besteden om een schuld af te lossen aan de Nederlandse Handelsmaatschappij, f 10.000.000,– voor terugbetaling van gelden aan de Rijn-Spoorweg en het overige aan andere zaken.

Van den Bosch probeerde te redden wat er te redden viel maar tevergeefs. De Kamer had lont geroken en wilde duidelijkheid. De financiële politiek van Indië had de koning steeds als een persoonlijke aangelegenheid beschouwd en ook nu weigerde hij hierin duidelijkheid te verschaffen. Er worden in korte tijd in de Kamer veertig redevoeringen gehouden, alle de toestand en de financiën in Indië betreffend. Bijna alle sprekers waren vol lof over de voorstellen van Van den Bosch maar men wenste niet toe te geven aan zijn voorstellen. De spanningen liepen hoog op en er dreigde zelfs een Kabinetscrisis. Op 20 december 1839 probeerde Van den Bosch nogmaals de zaak te redden. Hij bracht in een vurige rede al zijn overredingskracht naar voren; hij schilderde de welvaart die zou ontstaan dankzij zijn plannen en de enorme staatsschuld zou aanmerkelijk verminderen. Aan het eind van zijn betoog kondigde hij aan dat hij zou aftreden als de Kamer niet met zijn plannen akkoord zou gaan. Hoewel zijn rede, zowel in de Kamer als daarbuiten, veel indruk maakte ging men niet met Van den Bosch mee. Tevergeefs poogde men Van den Bosch van zijn voornemen om af te treden af te brengen. Zowel de regeringspartijen als de oppositie zochten hem in zijn woning op om met hem te praten. Hij bleef echter bij zijn besluit. De koning benoemde Van den Bosch na zijn aftreden tot minister van Staat en verhief hem voor zijn vele goede diensten in de Gravenstand. Nu graaf Van den Bosch ambteloos burger was geworden, moet men niet denken dat men hem met rust liet. Meermalen won de regering advies bij hem in en zelfs werd hij weer aangezocht om nogmaals gouverneur-generaal van Oost-Indië te worden. Van den Bosch ging hier echter niet op in en zette zich voor twee zaken, die zijn volle interesse hadden. Dat was in de eerste plaats de Maatschappij van Weldadigheid. Deze was in een crisis geraakt en moest geholpen worden en wie kon dit beter aanvatten dan graaf Van den Bosch? Daarnaast kreeg de koloniale politiek ook veel aandacht van hem. In 1842 kwam Van den Bosch als afgevaardigde van Zuid-Holland in de Tweede Kamer. In de eindeloze debatten in de jaren van het dreigende staatsbankroet kreeg hij voldoende de gelegenheid om zich te doen gelden. Heel vaak was hij aan het woord en dikwijls zette hij zijn denkbeelden in memoires uiteen. Tot het laatst van zijn leven bleef Van den Bosch een strijdbaar man. In het najaar van 1843 was van Halle minister van Financiën geworden. Tussen hem en Van den Bosch heerste nogal wat verschil van mening over het te voeren financieel beleid. Hierover werden felle debatten gevoerd en van den Bosch spreidde zijn niet geringe redenaarstalenten hierbij vaak ten toon.

Lang heeft van den Bosch van Halle niet bestreden, want op 28 januari 1844 overleed graaf Johannes van den Bosch op bijna vier en zestig jarige leeftijd vrij onverwachts op zijn buitenverblijf Boschlust in Den Haag. 

Meer over de geschiedenis van De Ommerschans en zijn bewoners kunt U vinden in de oudheidkamer op het kalkovencomplex te Dedemsvaart.

C. v.d. Uitvlugt