Uit het verleden van de Parochie Avereest

Enige jaren geleden kregen mijn vrouw en ik onverwacht bezoek vaan een bejaarde oud-Dedemsvaarter, die al een lange reeks van jaren elders woont en zo af en toe nog eens zijn geboorteplaats bezoekt. Het werd een gezellig uurtje. Verschillende zaken, die hem interesseerden, passeerden de revue. Bij zijn vertrek overhandigde de onverwachte bezoeker mij een klein boekwerkje, dat als titel droeg: “Uit het verleden van de parochie Avereest”. Dit boekwerkje werd op 1 februari 1930, dus 71 jaar geleden, uitgegeven door de Overijsselsche Courant- en Handelsdrukkerij te Zwolle en werd destijds geschreven door pastoor Adrianus Leonardus Akkerman. Deze pastoor diende de Roomsch-Katholieke Parochie van den Heiligen Vitus te Avereest van 2 september 1927 tot 4 mei 1934. Op laatstgenoemde datum werd pastoor Akkerman geroepen tot zielenherder van de Roomsch-Katholieke Parochie van den Heiligen Clemens te Hilversum. Pastoor Akkerman, die op 3 augustus 1887 te Beesd werd geboren, was zowel bij zijn parochianen in Avereest als in Hilversum bijzonder geliefd. Hij stierf op 20 juli 1963 te Soest. Het leek mij een goed idee om de inhoud van dit bijzondere werkje in een aantal opeenvolgende afleveringen weer te geven in het orgaan van de Historische Vereniging Avereest. De eerste aflevering volgt nu. Ik wens u veel leesplezier bij het lezen van dit interessante boekje, dat naar mijn mening een zeer hoog historisch gehalte heeft.

Ik laat nu pastoor Akkerman aan het woord.

Peter Makaske, amateur-historicus.

De Parochie Avereest

“Geen weg of voetpad had ooit over deze veenen geleid.”

Als het waar is, wat reeds de oude Lucianus gezegd heeft, dat ”het eenige, wat de geschiedschrijver te doen heeft, is, te verhalen, hoe het gebeurde zich heeft toegedragen”, dan zal het verhalen der geschiedenis van eene parochie, die nauwelijks honderd jaar bestaan heeft, op het eerste gezicht geen omvangrijke taak en daarom ook minder belangrijk schijnen.

Hier doet zich echter het merkwaardige geval voor, dat de parochie Avereest reeds in de Middeleeuwen – op een andere plaats en onder patronaatsrecht van het klooster Zwartewater bij Zwolle – bestaan heeft, later verdwenen is, om in het begin der 19de eeuw weer elders op te leven. Zij heeft dus een voorgeschiedenis, ouder dan de Dedemsvaart zelve, en ‘t is deze voorgeschiedenis, die ook op de tegenwoordige parochie het stempel drukt van eerbiedwaardigheid en haar plaatst in de rij der oudste parochies van het Overijsselsche. Daarom meende ik, dat ook het weinige, wat ik er van heb kunnen vinden, belangrijk genoeg was om mede te deelen en bovendien vond ik in het feit, dat binnenkort de vergroote parochiekerk wordt ingewijd, waardoor het parochieleven aan een keerpunt zijner geschiedenis gekomen is, voldoende aanleiding om ook over het vroegere wel en wee dezer honderdjarige iets mede te deelen (1). A.L.A.

Het is het tegenwoordige gehucht of kerkdorp Oud-Avereest, op ongeveer 1½  uur afstand ten N.W. van de tegenwoordige kerk gelegen, waar eens de moederkerk der tegenwoordige parochie gestaan heeft. Later heeft de dochter op een andere plaats (vergeef me de uitdrukking!) de zaak op den zelfden voet voortgezet; de dochter verkeert in blakenden welstand, … moeder zelf is gestorven. De naam Avereest beteekent ”Over de Reest”, dus over de rivier de Reest, van Drenthe uit gerekend.

Volgens Prof. Kern in zijn Nomina Geographica Neerlandica komt Avereest voor in:

            1236 als Resten
            1267 als Restene

            1390 als Die Querreeste
            1496 als Ten Over Reeste
            1497 als Overreysten
            16de eeuw als De Over Reest
            1617 als Overreest.

Bovendien is op te merken, dat de zachte open “o” in sommige streken van Overijssel en andere Saksische en Frankische gewesten in “a” overgaat, zooals o.a. uit bovenstaand Avereest en uit het vaak voorkomen Averijssel enz. blijkt. Bovenstaand lijstje zou nog aangevuld kunnen worden met “in 1236 als de restura” zooals uit onderstaande zal blijken.
Het kleine riviertje de Reest, dat thans als een zilverdraadje tusschen de groene landauen kronkelt, en waaraan de geheele landstreek haar naam ontleent, is van groote betekenis voor de omliggende landen geweest.

Magnim (2) schrijft daarover het volgende: 

“In vroeger tilden schijnt de stroom de Reest zich in geheel anderen staat te hebben bevonden dan tegenwoordig. De Conventuales van Dikningen (3) hebben in dezelfde een watermolen gehad. Bij resolutie van 11 Mei 1610 is de toenmalige rentmeester van Dikningen, Tyman ter Linde, gemagtigd geworden, om over de verpachting van dien molen, onder goedkeuring van Drost en Gedeputeerden van het Landschap Drenthe, te handelen met de Muntmeesters van kampen, die dezelve in een kopermolen wilden veranderen, hetwelk echter niet is doorgegaan. De molen en het daarbij behoorende verlaat om het water te stuwen bestonden nog in het jaar 1616, te zien uit de volgende resolutie, welke tevens bewijst, dat destijds de Reest met geladen vaartuigen kon worden bevaren.”

Deze resolutie luidt: 

“D’Heeren Drost en de Gedeputeerden geproponeert hebbende van dat zij den Schults van Hasselt hebben gen consenteert met turfschepen te meugen passeeren doer Dickninger Meulen-verlaat, mits geevende van een ijedere schuite des stuyvers enz. (4)”

R.K. Kerk met pastorie aan de Langewijk te Dedemsvaart omstreeks 1900.

Avereest is ontstaan door het ontginnen van woeste gronden van Drenthe uit. Voor het gebruik van den grond moest aan den bisschop een tins (schatting) worden betaald. De tinsperceelen bezaten aan de Reest een zekere breedte en strekten zich binnenwaarts tot de grenzen van het bisschoppelijk domein uit. Daar de buitenlijn een boog vormde, was ieder perceel een smalle cirkelsector. Tot de oorspronkelijke tinsperceelen behoorden Tweenhuizen, Westenhuizen en de Kate. Door splitsing is het aantal hoeven later uitgebreid. Een opzettelijke verdeeling heeft hier nimmer plaats gevonden. Naarmate de ontginning voortging, werden de afscheidingen tusschen de hoeven verder doorgetrokken, tot zij ten slotte het middelpunt bereikten. De velden werden, zoolang er nog geen afscheidingen waren gemaakt, gemeenschappelijk gebruikt voor het weiden van vee en het steken van plaggen. (5)

Langs de oevers van de Reest bezaten vele kloosters uitgestrekte landerijen (6), voor een groot deel door de monniken zelf ontgonnen en in cultuur gebracht. De meest bekende kloosters waren: Het Benedictijner Maria-klooster, genaamd Zwarte Water nabij Zwolle, het klooster Dikningen bij Meppel, de Benedictijner abdij te Runne en Staphorst, enz.
Naarmate de grond meer in cultuur gebracht werd, vermeerderde zich ook het aantal inwoners dezer streek en gedachtig aan het woord, dat “de mensch niet leeft van brood alleen”, deed zich aan den vromen godsdienstzin onzer voorouders weldra de behoefte aan een eigen godsdiensthuis gevoelen. En zoo werd in Avereest in het jaar 1236 de eerste kerk gesticht door het Benedictijner Maria-Klooster Zwarte Water bij Zwolle.
De ligger van dit klooster vermeldt daarvan (7):

“Van de Kerken van Overresst noch 1 breeff beseghelt van bisscop Otten Anno MCCXXXVI (1236) z’n welken ghegunt den luden de restura (van de Reest) to tymmeren kerken in welke sie sullen ontfangen die sacremente der hilligher kerken, ende i’s getymmert op onses cloisters gront.

Item elck hues sal gheven den priester dair op wonende alle jaer 112mudde rogge ende 1 scepelgersten voer die deden diepriester 1111provenen ende den coster een provenen (8).

Item die buren sullen bestellen kelcke boken, klocken, licht ende al dat hoirt totten dienst Godes. Ius patronatus ipslus eclesie manebit conventui et abbas vel prepositus  in dicto conventie providebit dicte ecclesie pastoren (9). “

Hiermede was dus de stichting van de parochie Avereest een feit geworden. Ongeveer 150 jaren later in 1382 vinden we een nieuwe overeenkomst tusschen de parochianen van Avereest en den Overste van genoemd klooster. Dezelfde ligger ,vermeldt hiervan:

“Van der kercken van Overreest 1 bref beseghelt van bisschop Florens. In het Jaer onses Heren dusent CCC twe en tachtentich van vorwerden tusschen den Proest ende convente ende de ghemenen kerspellude (gezamenlijk parochianen) van Overreest.
Item die wedeme (de pastorie) ist ghewaert (toegestaan) to torve, to twighe, to water, to velde myt aller slachten not (voordeelen en emolumenten van allerlei aard).
Item wanneer die priester sterfft mach die proest daer setten 1 priester van synre oorden off 1 wirtlichen priester als den praefst (overste) belevet (belieft) daar dat kerspel (parochie) mede verwaert (geholpen) is, doet hie dat neet mach dat kerspel enen presenteren dan die praefst sal him confirmeren.”

Noten:
1. In het Parochiale Archief is over het bestaan der vroegere parochie niets te vinden. Wat ik bier meedeel, vond ik in het Rijksarchief te Zwolle. Een woord van dank wil ik hier gaarne brengen aan den Rijksarchivaris in de Provincie Overijssel, Dr. Schoengen te Zwolle, voor de welwillendheid, waarmede mij de gevraagde lectuur ter beschikking werd gesteld. Een woord van bijzonderen dank ook aan de heer K.D. Hartmans te Zwolle, Avereester van geboorte, in wiens interessante aanteekeningen over zijn geboorteland ik naar hartelust mocht grasduinen.
2. Kloosters in Drenthe (pag. 73).
3. D.w.z. de kloosterlingen van de Abdij Dikningen.
4. Extract uit het Register der Resolutiën van Ridderschap en Eigengeërfden, de Staten van het landschap Drenthe, gehouden binnen Assen den 18 juni 1616.
5. Mr. G.A.J. van Engelen van der Veen. Marken in Overijssel, pag. 58/59.
6. Vandaar wellicht nog namen van landerijen als ”de Kloosterhoek”.
7. Rijksarchief Zwolle no. 4027. Folio 58.
8. Provenen of provenden waren bepaalde inkomsten, die aan een stichting verbonden waren. D.w.z. het patronaatsrecht (nl. om een pastoor te benoemen) zal blijven aan het klooster en de abt of overste in genoemd klooster zal voorzien in de benoeming van een pastoor in genoemde kerk.