De Eik in het Reestdal

2003 is het jaar van de BOERDERIJ.

Links en rechts van De REEST bevinden zich prachtige oude boerderijen, omgeven door oude eiken. Deze bomen werden vroeger op en om het erf geplant. Bij de geboorte van een kind, vooral van een zoon, werden eiken geplant, maar ook bij bruiloften en andere hoogtijdagen. Gaan we vanaf de kalkovens richting Den Oosterhuis, dan zien we vele voorbeelden van oude hoeven met vele prachtige eiken. In en om De Mulderij en even voorbij het kerkhof zien we links een grote boerderij. Hier woonde, naast een sluisje, Engbert van “‘t schuttien”. Het verhaal gaat, dat er bij zijn geboorte 50 eiken geplant zijn. Vogelzang, iets  verder is ook een mooi voorbeeld, evenals Den Kaat en Rabbinge. Gaan we vanaf Den Kaat richting Zuidwolde en slaan, na de Reest gepasseerd te zijn, linksaf dan komen we in het Rabbingerveld. Dit heide gebied is veel later in cultuur gebracht. Hier vindt men geen eiken net als in het Westerhuizingerveld, dat in de dertiger jaren van de vorige eeuw is ontgonnen. Op de Pieperij zijn weer eikenbomen rond de hoeven en gaan we weer over de Reest naar Oud Avereest of richting Meppel, dan zien we overal prachtige forse eiken. Tussen Balkbrug en Grootoever zijn ook nog veel lage eikenbosjes te vinden. Op de hogere, minder vruchtbare zandgronden, plantte men eiken die elke 10 à 12 jaar gekapt werden. Tot zo ver de eik in het landschap.

Boerderij aan Den Oosterhuis met een mooie eikenrij aan de oostkant.

Nu het nut en de dienst die de eik ons in de vorige eeuwen bewezen heeft. Vroeger was men blij met een goed “ekkeljoar”. De gevallen rijpe eikels werden geraapt en in grote kuilen ingekuild en bewaard, de zgn. “ekkelkoelen”. Het was prima voer voor varkens. In de Middeleeuwen trokken varkenshoeders in het najaar en in de winter naar de bossen om varkens eikels te laten eten. Dit gebeurt in Spanje nu nog en dit levert een eerste klas varken op waarvan men heel lekkere droge ham maakt. Tegenwoordig moppert men als er veel eikels zijn. “Je moet ze allemaal maar opvegen en opruimen”. In de zomer zorgde de eik met zijn bladerdak voor verkoeling in huis en in de andere jaargetijden fungeerde hij als windbreker. Maar de hoofdzaak was toch het hout. Van de stammen werden gebinten gemaakt, soms zoals ze gegroeid waren. De dikke ,wat krom gegroeide zijtakken, gebruikte men dan als karbelen. Ook werden wel stammen naar de windzaagmolen gebracht om er balken en planken van te laten zagen. De mooiste rechte planken werden op een droge plek apart bewaard, om er later door de dorpstimmerman kasten en ook wel kabinetten van te laten maken. De timmerman was in die tijd een ware vakman. Voordat er bomen geveld werden was hij al geweest om de bomen aan te wijzen, die voor een bepaald karwei geschikt waren: Bijvoorbeeld de boerderij verlengen, een nieuwe schuur bouwen, nieuwe varkenshokken maken of een paardenstal vernieuwen, enz., enz. Voor de lijkkisten werden ook altijd mooie planken bewaard, want het was de gewoonte om in “eigen holt” begraven te worden, d.w.z. hout dat gegroeid is op de plek waar je geboren en opgegroeid bent. Begraven worden in hout van de boom die geplant was met je geboorte, was in twee of misschien wel in drie opzichten helemaal het einde want dan had je de leeftijd van de sterken ook nog bereikt: 70 jaar en ouder. Bij de zaagmolen werd de bast van de stam en de dikke zijtakken verwijderd. Deze schors werd door de knechten van de molenaars verzameld en aan een run-molenaar verkocht voor één cent per pond. De molenaars verkochten de gemalen schors voor het tanen van de scheepszeilen voor twee centen per pond aan de zeilmakers te Hasselt, Zwartsluis, Meppel, Vollenhove, enz. Ook werd de gemalen schors gebruikt voor het tanen en kleuren van molenzeilen.  De schors van de oudere eikenbomen bevat een roodachtige kleurstof waar- door de zeilen bij het koken in de taanketel een mooie roodbruine kleur kregen en werd ook de duurzaamheid van de zeilen bevorderd.

Voor het looien van leer had men de schors van jonge eikenbomen nodig, omdat zich in deze schors de meeste looistof bevond en er nog geen kleurstof aanwezig was. In Balkbrug was het vooral Wolter ter Haar, die grote hoeveelheden van deze schors verhandelde. In een grote schuur nabij Sluis 5 werden de bundels schors nagedroogd, om later per schip afgevoerd te worden. Vandaar zijn er in en rond Balkbrug nog veel van deze akkermaalshoutbossen en bosjes te vinden. Na ± 1935 was het gebeurd met het eekschillen. Er was een chemisch middel op de markt gekomen, dat het looien eenvoudiger en in veel kortere tijd mogelijk maakte. Het looien werd vroeger in de open lucht gedaan. In grote houten kuipen, van ongeveer twee meter in het vierkant, werd run tussen de huiden gestrooid, waarna er pekel aan toegevoegd werd. Dit moest vier keer en om het half jaar gebeuren; het duurde dus twee jaar om huiden te looien. In de omgeving van Meppel waren veel leerlooierijen en runmolens.

Voor het malen van schors was het scherpsel van de molenstenen grover dan van de gewone molenstenen. Ook het steengat (waardoor het te vermalen product tussen de stenen gestort werd) was groter. De droge schors werd aangeleverd per mud van 130 pond en leverde 120 pond run op. Het maalloon bedroeg 30 cent per pond. Bij het malen van de schors kwam ook stof of poeder vrij. De molenaar zeefde dit en verkocht het aan de geneesmiddelenindustrie voor het maken van medicijnen. Een dag malen gaf ongeveer 50 liter poeder. In het voorjaar, zo tussen 15 mei en 21 juni, werden de eikenhakhoutbossen gekapt, omdat de bast dan gemakkelijk losliet en ook de meeste looistof bevatte. Na de langste dag werd er niet meer gekapt, zodat het bos zich kon herstellen. Over 10 à 12 jaar konden de boeren dan weer oogsten. Het geschilde hout werd verkocht als brandhout en de takkenbossen werden aan bakkers verkocht voor het stoken van de bakkersovens.
Het ondereind van de stam van de gerooide forse eiken met de dikke wortels (de stobbe) deed na jaren gedroogd te zijn dienst als kerststobbe. Een paar dagen voor kerst werd dit grote stuk brandhout in de grote openhaard gelegd. Tijdens de kerstdagen had men dan een mooi vuur. Direct na de kerst kon men dan beginnen met het bakken van nieuwjaars-koeken (“knieperties”), enz.

De dikke stobbe gaf dan nog een mooi egaal vuur.
Een oud gebruik was ook het hoog in een eik hangen van de nageboorte van een paard. Het veulen zou dan later fier met zijn hoofd omhoog lopen.

Met de zekerheid dat ik iets vergeten ben en sommige gebruiken ook niet ken, maar met de hoop dat als u in het Reestdal bent, de eik zult gaan zien als de boom die op vele manieren dienstig was aan de mensen, die vóór ons leefden en werkten in het mooie Reestdal.

Met dank aan de heer Rijkeboer uit Dedemsvaart die mij diverse gebruiken verteld heeft. Ook heb ik gebruik gemaakt van “De Meppeler Windmolens” door A. Bicker Caarten, verschenen in de Nieuwe Drentse Volksalmanak 1968.

Jan Nijensikkens