De Katinger molen

In een eerder nummer van dit orgaan besteedde W. Wind aandacht aan de oudste Katinger molen. Hij ontleende daarbij zijn gegevens aan het bekende boek van wijlen J. Drent (1). Tijdens mijn onderzoek naar de geschiedenis van de familie Ten Kate ben ik ook deze Katingermolen tegengekomen. Daarbij zijn gegevens boven water gekomen die voor J. Drent niet bekend waren en derhalve in het genoemde boek niet voorkomen en dus ook niet in het artikel van Dhr. Wind. Daarom zal ik in deze bijdrage het verhaal van Drent/Wind waar mogelijk trachten aan te vullen.

De molen die thans de voorkant van dit orgaan siert (2) werd gebouwd op initiatief van Willem Roelofs ten Cate. Deze richtte een verzoek om een molen te mogen bouwen aan de Ridderschap & Steden van Overijssel. In de resoluties van dit hoogste bestuursorgaan van Overijssel vinden we: (3)

19 mei 1647
“Opt reqte van Willem ten Cate op Avereest versoekende den wint en consent tot het setten van eene meule aldaar, in cas niemant uijt het middel van Ridd. en Steden sulxs mogte gelegen sijn, geapp.
Wort dit versoek geaccordeert tegens een behoorlijke canon bij de gedepden te stellen, ten waare iemant van ingesetenen deser Provintie daer bij mogte sijn geprejudicieert’. (4)

Ridderschap & Steden gaven Willem ten Cate dus toestemming om een molen te bouwen. De eigenaren van de molen te Ommen waren weinig gelukkig met deze beslissing, bevreesd om een deel van hun omzet aan de molen te Avereest te verliezen. Daarom stelden zij beroep in bij Gedeputeerde Staten van Overijssel, dat kennelijk ontvankelijk was voor dit soort administratief beroep: (5)

7 augustus 1647
“Also die Eijgenaren vande meule tott Ommen hier g’opponeert (6), tegens het opstellen vande winde-meule gedaen door Wilhelm ten Cate op ten Avereest, volgents Ap11e van Rid. ende Steeden van date den 19en maij 1647 ende doer deselve Eijgenaeren niet genoechsaem bewesen, dat sij hijrbij sonderlinge (7) sijn geprejuditieert. En daerom verstaen, dat Wilhelm ten Cate int gebruijck van sijne meule voor alsnoch bij provisie (8) sal mogen continueeren.”

Uit dit stuk blijkt dat de molen er op 7 augustus 1647 al stond en in gebruik was. De eigenaren van de molen te Ommen maken immers bezwaar tegen het opstellen van de molen en Gedeputeerde Staten besluiten vervolgens dat Willem Roelofs ten Cate het gebruik van zijn molen mag continueren. Het blijkt dus dat de oudste molen van Avereest gebouwd is tussen 19 mei en 7 augustus 1647. Het beroep van de eigenaren van de molen van Ommen faalde omdat zij niet konden aantonen dat zij over het windrecht in Avereest beschikten. Indien men namelijk het recht van wind in een bepaald gebied bezat betekende dat het exclusief recht om een molen in dat gebied te exploiteren.

Deze molen stond, zoals Wind al aangaf, vlakbij de brug over de Reest aan de westzijde van de weg. Een aantal grote veldkeien, die als fundament voor de molen hebben gediend, verraden nu nog de plaats waar de molen heeft gestaan. Volgens Drent stond het muldershuis aan de overzijde van de weg, dit kan echter niet met zekerheid worden gesteld. Er heeft aldaar aan het einde van de 19e eeuw wel een huis gestaan, hetgeen rond 1900 is afgebroken. Op het kadastrale minuutplan van 1832 komt dit huis evenwel niet voor, zodat het niets met de molen uit de 17e eeuw van doen kan hebben gehad. Het is echter best mogelijk dat er ten tijde van de molen wel een huis aan de overzijde van de weg heeft gestaan, dat later is afgebroken. Het is ook nog mogelijk dat de molenaar op Den Kaat heeft gewoond.

Er is slechts één naam van een molenaar overgeleverd. Het trouwboek van IJhorst en De Wijk vermeld namelijk het volgende: (9)

“Gehuwd 1 december 1661 te Avereest, Willem Jans, j.g. zoon van Jan Berends, meulenaar ten Cate, op den Overreest en Albertien Alberts, j.d. van Albert Evers op IJhorsterveene.”

Het is niet zeker of deze Willem Jans zijn vader als molenaar heeft opgevolgd. Dit is echter best mogelijk, omdat ene Grietje Willems in 1743 vertelt dat ze de dochter van de molenaar is.(10) Deze Grietje Willems zou dan de dochter van Willem Jans zijn geweest. Naast de molenaar Jan Berends zullen ook de Ten Kate’s wel op de molen actief zijn geweest.

Zoals Drent en Wind al meldden is deze molen in de tweede Münsterse oorlog van 1672 tot 1674 moedwillig in de brand gestoken. Hoewel het niet geheel zeker is welke partij de brandstichting heeft gepleegd, laat het zich aanzien dat de molen door Staatse troepen in brand is gestoken en niet door de Münstersen. Toen in de maanden juni en juli van het jaar 1672 de Münsterse troepen onder leiding van bisschop Christoph Bernhard von Galen Oost-Nederland binnenvielen, trokken de Staatse troepen zich zonder slag of stoot terug op Friesland en Groningen. Het is bekend dat kort daarvoor de brug over de Reest bij Den Kaat onklaar is gemaakt (11) en dat de Staatse troepen de molen van Zuidwolde in brand hebben gestoken. (12). Bij deze actie heeft waarschijnlijk ook de molen van Den Kaat het moeten ontgelden. Deze Staatse troepen stonden onder leiding van luitenant-generaal Rabenhaupt die later tijdens het beleg van Groningen de Münstersen weerstond en in december 1672 Coevorden heroverde. Door het toepassen van de tactiek “van de verschroeide aarde” trachtten deze Staatse troepen het de Münstersen zo moeilijk mogelijk te maken. Door het ontbreken van een molen kon er immers geen koren worden gemaald, zodat de Münsterse troepen problemen met de voedselvoorziening zouden kunnen krijgen. In de praktijk bleek de burgerbevolking hiervan juist het slachtoffer te worden, omdat de troepen aan het plunderen sloegen. Het heeft tot 1743 geduurd voordat de Ten Kate’s tot herbouw van deze molen overgingen. Dat dit zo lang moest duren heeft twee redenen. De eerste reden wordt bij het verzoek om toestemming de molen te mogen herbouwen in 1743 door de Ten Kate’s zelf gegeven:

“… daar sekerlijk de groote oorsake van geweest is, dat de Ommerschans sedert so veel als verlaten hebbende gelegen der minder vertier en consumptie als voorheen geweest is. Dog deselve schans nu wederom herstelt sijnde … “

De tweede Katingermolen (1743-1922).

Ik vermoed dat de bouw van de Ommerschans en de permanente aanwezigheid van soldaten ook de stimulans is geweest om in 1647 de molen te bouwen. Nadat de in de Ommerschans gelegerde troepen in 1672 voor de Münstersen op de vlucht sloegen, heeft de Ommerschans kennelijk geruime tijd leeg gestaan. Het was daarom niet rendabel om de molen te herbouwen. Daarbij heeft ongetwijfeld nog het volgende aspect meegespeeld. De bouwer van de Katingermolen Willem Roelofs ten Cate stierf rond 1657. Twee van zijn zonen, Roelof Willems en Hilbert Willems ten Cate, werden de nieuwe eigenaren van de molen. Van hen overleed Roelof Willems ten Cate rond 1668, terwijl Hilbert Willems in de herfst van 1672 overleed(13). Na het overlijden van deze beide broers ontstond er verschil van mening tussen hun erfgenamen en andere familieleden, omtrent door de beide overleden broers aangegane financiële verplichtingen. Dit leidde zelfs tot een proces dat pas in 1706 door de Klaring van Overijssel werd beslecht(14). Door deze familiaire kwesties en financiële perikelen raakte de eventuele herbouw van de molen ongetwijfeld op de achtergrond.

Tot zover mijn bijdrage omtrent het kortstondige bestaan van de oudste molen van Avereest (1647-1672). Hoewel de grens van wat er over deze molen bekend zou kunnen worden steeds verder wordt genaderd, is deze grens nog niet bereikt. Middels intensief onderzoek in de archieven kan naar mijn verwachting nog het een en ander aan de vergetelheid worden ontrukt. Dit is zeker het geval voor wat betreft de tweede Katingermolen (1743-1922). Ik hoop U hieromtrent nog eens te kunnen berichten.

Werner ten Kate

Bronnen:

1. J. Drent, “Bijdrage tot de geschiedenis van de gemeente Avereest”, Dedemsvaart, 1978.

2. De dennebomen op de achtergrond van de pentekening van Drent leveren weliswaar een fraai plaatje op, maar zijn historisch bezien niet erg verantwoord. In 1670 zal op het achtergelegen natte Reestenland zeker geen bos hebben gestaan. Het hoger gelegen gedeelte rond de standplaats van de molen bestaat heden ten dage wel uit bos, maar dit zal ten tijde van de molen niet het geval zijn geweest. Hoge bomen vangen immers veel wind!

3. Rijksarchief in Overijssel (RAO), Resoluties van Ridderschap & Steden netexemplaren, Statenarchief (1 – 118), 19 mei 1647.

4geprejudicieert = geschaad

5. RAO, Resoluties van Gedep.Staten van Overijssel, Statenarchief 357, blz. 199.

6g’opponeert = bezwaar gemaakt

7sonderlinge = uitzonderlijk

8bij provisie = voorlopig

9. RAO, Trouwboek van IJhorst en De Wijk (j.g. = jong gezel, j.d. = jonge dochter).

10. Alle stukken die betrekking hebben op het verzoek uit 1743 om de molen te mogen herbouwen zijn ontleend aan: W. ten Kate, “Het Erve en goed Ten Kate te Avereest”, Kampen, 1919.

11. L. Huizing, “Zeven eeuwen Zuidwolde”, Zuidwolde, 1975, Blz. 75.

12. L. Huizing, “Zeven eeuwen Zuidwolde”, Zuidwolde, 1975, Blz. 76.

13. RAO, Rechterlijk archief van Ommen & Den Ham, Contentieuze zaken, getuigenverklaring d.d. 9 december 1705.

14. RAO, Hoge Bank & Klaring, No. 5434, 25 november 1706.