EGBERT ZWIERS EN CONSORTEN

komst, opkomst en neergang van een Hoogeveense familie aan de Dedemsvaart.

I.  De turfschippers komen er aan
Toen eenmaal, in de loop van de jaren twintig van de vorige eeuw, de aanleg van veenkanalen in de gemeente Avereest in volle gang was en de vervening goed n begon, vestigde zich hier een vrij talrijke veenbevolking. Een groot aantal van hen, waaronder een groep turfschippers, was afkomstig uit de oudere veenkolonie  Hoogeveen. Over enkele van die turfschippers, en hun familie, die naar later zou blijken een belangrijke bijdrage aan de stichting van de nieuwe veenkolonie aan de vaart zou leveren, gaat dit verhaal. De Hoogeveense turfschippers bevoeren een zogenaamde Hoogeveense praam. Dit was wegens de geringe diepte van de
Hoogeveense Vaart een schip met een zeer platte bodem. De schippers waren ook eigenaar van hun praam. Ze woonden echter lang niet allemaal op hun schip. Omdat ze naast de turfschipperij meestal ook een klein boerderijtje dreven en soms ook zelf aan vervening deden, woonden ze met hun gezin aan de wal. De extra inkomsten uit hun boerderijtje hadden ze vaak hard nodig, omdat wegens de felle concurrentie de turf(vaart) vaak niet genoeg opbracht om van te kunnen leven. Met de opkomst van de turfgraverij in en bij de gemeente Avereest zochten dan ook een aantal Hoogeveense turfschippers hier hun heil. De meest bekenden van hen waren Jan Zwiers de Jonge, Hendrik Bruins Slot, Arend Hartman, Rudolf Bokking, Jacob Kleinmeijer, Arend Kreuzen en Jan Reyer Koster. De meesten van hen waren familie van elkaar of zouden dat worden. Ook hier combineerden ze niet zelden het beroep van schipper met dat van turfhandelaar. Daarnaast was een enkele van hen tijdens het turfgraafseizoen ook wel als los-arbeider werkzaam voor een grote vervener en exploiteerden ze ook hier een klein boerderijtje. De door hen opgegeven, gecombineerd uitgeoefende, beroepen van "schipper en arbeider", "schipper en verveener", dan wel "schipper en landbouwer" geeft al aan, dat zij mensen waren, die van vele markten thuis waren. De turfschippers bezaten over het algemeen een zekere graad van ontwikkeling. Hun beroepsmatige contacten met mensen uit alle hoeken van Nederland had daar zeker toe bijgedragen. Daarbij was enige handelsgeest in verband met hun deelname aan de turfhandel voor hen onontbeerlijk. Dom waren ze zeker niet. Door hun veelzijdige aanpak én de door hen te Hoogeveen jarenlange opgedane veenervaring onderscheidden ze zich al gauw van de andere bewoners van de nieuwe veenkolonie aan de Dedemsvaart. Als afkomstig uit het "Jeruzalem van het noorden", zoals Hoogeveen in die tijd naar de godsdienstig orthodoxe inslag van de bevolking wel werd genoemd, brachten ze ook hun piétistische ideeën mee.

Het was dan ook geen wonder dat vooral vanuit deze kring de eerste initiatieven tot het organiseren van godsdienstsamenkomsten voortkwamen. Die vonden hier het eerst plaats in de turf- en boekweitschuur van landbouwer en jeneverstoker Jannes ten Have, waar de eveneens uit Hoogeveen afkomstige veenarbeider-evangelist Jan ter Vaart als voorganger optrad. Ten Have was gehuwd met Albertje Thijs, een dochter van de Hoogeveense schipper Remmelt Thijs. Haar broer Derk Thijs werd in 1848 predikant van de Chr. afgescheiden gemeente (Gereformeerde kerk) van Dedemsvaart. Na het overlijden van ten Have hertrouwde Albertje Thijs omstreeks 1836 met een veenbaas van van Dedem, de uit Duitsland afkomstige jeneverstoker Johann Heinrich Daman. Ook de eerste hoofdonderwijzer aan de Dedemsvaart, Frederik Jansen, die gehuwd was met een ten Have, maakte van deze orthodox protestantse groepering deel uit.
Jan Zwiers de Jonge, schipper op het overdekte praamschip "de Lastdrager" vestigde zich omstreeks 1825, 29 jaar oud, met zijn vrouw Lena Smit en hun dochtertje Hendrikje in een woning aan het westeinde van de Kruizinga's Wijk, de latere Langewijk, naast Bonne Berends. Al in zijn Hoogeveense tijd werd hij ter onderscheiding van zijn 10 jaar oudere broer Jan Zwiers, die met een zuster van Hendrik Bruins Slot getrouwd was, Jan Zwiers de Jonge genoemd. In 1825 werd hun zoon Egbert geboren, later gevolgd door Jentien (1828), Johanna (1832) en Jan (1835). Aan de Kruizinga's Wijk begon hij een klein boerderijtje, dat hij van lieverlede wat uitbreidde. Zoals zoveel kleine boertjes in een beginnende veenkolonie ging hij zich ook op de boekweitteelt toeleggen. Hij had daartoe in 1832 van Baron van Dedem een vier hectaren groot stuk veengrond in de Oosterhuizen gehuurd. In deze tijd geeft hij als beroep ook wel dat van koopman op. Ook Arend Hartman was in die tijd boekweitboer geworden. Hij zou zich ontwikkelen tot een belangrijk landbouwer. Ook de andere genoemde schippers veranderden te Dedemsvaart van stiel. Hendrik Bruins Slot, die gehuwd was met Maria Kleinmeijer, werd winkelier. Jacob Kleinmeijer werd timmerman, terwijl Rudolf Bokking en Jan Reijer Koster naast schipper tevens landbouwer/vervener werden.

 


Geboorte-acte Egbert Zwiers.

 

II.  De tijd van de vooruitgang
In die tijd waren de veenderijen in de gemeente Avereest nagenoeg geheel in handen van voornamelijk elders wonende adel en patriciërs. Omdat die zelf veelal geen verstand van vervening hadden, gingen ze er in toenemende mate toe over om ambachtslieden en neringdoenden aan de Dedemsvaart niet het beheer over hun veenderijen te belasten. Als afkomstig uit oudere veenkoloniën en als ondernemer, werden zij blijkbaar door de veeneigenaren voldoende betrouwbaar en vertrouwd geacht met het veenwerk en de omgang met veenwerkers om hier als veenbaas een leidinggevende rol te spelen. Onder hen was ook Jan Zwiers de Jonge, die kennelijk meer in zich had dan alleen het beroep van landbouwer en schipper. Vanwege zijn nieuwe functie van veenbaas nam hij al spoedig in de toenmalige gemeenschap aan de Dedemsvaart een toonaangevende plaats in. Ongetwijfeld heeft hij hieraan in 1834 zijn benoeming tot lid van de bouwcommissie tot stichting van een Ned. Hervormd kerkgebouw en later dat jaar zijn benoeming tot kerkvoogd te danken. Naast hem hadden in de bouwcommissie o.m. de bierbrouwer-veenbaas Roelof Veningen en de veenbaas Bonne Berends zitting. Berends, ofschoon oorspronkelijk afkomstig uit het Drentse Annerveenschekanaal, kon vanwege zijn huwelijk met Libegien Arends Kreuzen eigenlijk ook tot de eerdergenoemde Hoogeveense groep worden gerekend.
In de loop van de jaren begon Jan Zwiers ook zelf met de vervening door het huren van stukjes veen. Dit werd al spoedig gevolgd door de aankoop van grote percelen veen. Dit was met name in de jaren na 1840, toen veel veenpercelen door de groep rond van Dedem en andere grote eigenaren werden verkocht, het geval. Ook begon hij in de omgeving van Slagharen met de vervening. Daarnaast wist hij, naarmate de ontgraving van zijn venen vorderde, zijn boerderijtje uit te breiden tot een flinke onderneming. Zoals meer grote verveners-in-ontwikkeling werd hij een vooraanstaand landbouwer. Na zijn overlijden in 1849 op 54-jarige leeftijd, zette zijn weduwe, te samen met de oudste zoon Egbert de ondernemingen voort. De jongste zoon, Jan, was toen nog maar 14 jaar en te jong om in de onderneming opgenomen te worden. Dochter Jentien trouwde in het overlijdensjaar van haar vader uit huis. Zij huwde schipper Remmelt ten Have, een zoon van Jannes ten Have. Al eerder was de oudste dochter, Hendrikje, met Rudolf Bokking gehuwd. Dochter Johanna was jong gestorven. Egbert Zwiers zou in de loop der jaren aan het ouderlijke landbouw- en veeteeltbedrijf een zeer grote uitbreiding weten te geven. Voor een belangrijk gedeelte werd hem dit mogelijk gemaakt door zijn huwelijk in 1854 met een voor plaatselijke begrippen rijke vrouw, Roelofje Veningen, dochter en mede-erfgenaam van de eveneens in 1849 overleden bierbrouwer-vervener Roelof Veningen. Laatstgenoemde was een zoon van de Hoogeveense landbouwer en adjunct-schout Roelof Veningen en van Hillegien Kleinmeijer. Hij had zich reeds omstreeks 1818 in de marke van Arriën (indertijd nog gemeente ambt Ommen) als veenbaas gevestigd.

 

De voormalige woning van Egbert Zwiers aan de Moerheimstraat.
Sedert 1987 wooncomplex "De Maalderij".

 

De weduwe Veningen en haar dochters bezaten nogal wat veengronden, die zowel in de gemeente Avereest, alsook in de Lutter-venen en nabij Hoogeveen lagen.
Door zijn huwelijk werd Egbert Zwiers tevens een zwager van de Dedemsvaartse vervener Arend Berends, een zoon van de eerdergenoemde Bonne Berends, die met Johanna Veningen was getrouwd. Dit echtpaar woonde toen al een geruim aantal jaren in bij een oom aan de Hoofdvaart. De oom, winkelier en tapper Gerrit Dorgelo, was evenals Bonne Berends en Roelof Veningen een vooraanstaand veenbaas.
Het waren met name de beide zwagers Egbert Zwiers en Arend Berends, als verveners van de tweede generatie, die het in Dedemsvaart zouden gaan maken. Anders dan bij hun ouders, die zich in hoofdzaak met de vervening bezig hielden, was hun aandacht tevens gericht op het ontwikkelen van industriële activiteiten. Daarnaast zouden ze zich ook op bestuurlijk terrein laten gelden.
Bij zijn huwelijk betrok Egbert Zwiers een woning aan de Hoofdvaart en bouwde nog in datzelfde jaar op een achter die woning gelegen perceel aan de wijk, de later naar hem genoemde Zwierswijk -thans Zwiersstraat- een kalkbranderij met twee ovens. Ongeveer gelijktijdig had ook Arend Berends een kalkfabriek met een evenzo grote capaciteit aan de Samenwijk gebouwd. Hoewel beiden hiermee elkanders concurrent leken te zijn, was dit niet het geval. Naar blijkt werkten ze op tal van terreinen nauw samen.

III.  van wijkgravers tot kanaalheren
Al in zijn verlovingstijd was Egbert met zijn a.s. zwager een zakelijk samenwerkingsverband aangegaan. Dit kwam onder andere tot uiting in de door hen voor gezamenlijke rekening uitgeoefende aannemerij in de waterbouw. Dit bedrijf hield zich voornamelijk bezig met de aanleg van waterwegen, zoals kanaaltjes en veenwijken, alsmede de drooglegging van venen. Eén van de belangrijkste karweien die ze in de begintijd moesten klaren, betrof de door de provincie Overijssel aan hen gegunde drooglegging van de Aner- en Scheersevenen, daar waar thans het dorp de Krim ligt. Deze werkzaamheden gingen vooraf aan de doortrekking van de Lutterhoofdwijk door dit gebied. Na de voltooiïng van dit werk hadden beiden de handen vol aan hun kalkfabrieken en het graven van wijken in hun eigen veenderijen. Dit laatste betrof vooral de aanleg van een wijkensysteem in de Lutter-venen nabij Slagharen.
Ten noorden van de zogenaamde Schuinse Sloot bezaten de families Zwiers, Berends, de erven Veningen, alsook de aanverwante Hoogeveense familie Bruins Slot een groot aantal aaneengesloten veenslagen. Zij hadden dit omstreeks 1845 in eigendom weten te verwerven door aankoop uit het ook hier uitgestrekte veenbezit van van Dedem en diens compagnon Jan Heere. Hoewel in dit gebied in de 17e eeuw al een begin was gemaakt met de vervening was die vanwege het ontbreken van een goede vaarverbinding destijds niet van de grond gekomen.


Ook de latere eigenaren, zoals van Dedem, hadden die venen vanwege hetzelfde euvel niet kunnen exploiteren. Het gevolg van dit alles was dat de hier reeds eerder gegraven smalle wijken in de loop van de tijd nagenoeg geheel dichtgegroeid waren. De beide aannemers Egbert Zwiers en Arend Berends begonnen nu die oude wijken weer opnieuw uit te graven om ze vervolgens te verbreden en te verdiepen. Daarnaast werden in de meer noordelijk gelegen -ongerepte- venen, door hen geheel nieuwe wijken aangelegd. In dit gebied herinneren de namen Berendswijk, Zwierswijk, Veningenwijk en Bruins Slotwijk enz. nog aan de activiteiten van beide aannemers.
Ondanks dit nieuwe, veelbelovende turfwinningsgebied bleef echter de afvoer van de turf hier problemen geven, omdat de Lutterhoofdwijk, de levensader van dit gebied, een onvoldoende hoog waterpeil had. Door provinciale waterstaat opgemaakte rapporten hadden uitgewezen, dat dit probleem slechts door een verdere verlenging van de Lutterhoofdwijk tot in de grachten van Coevorden zou kunnen worden verholpen. Voorhands zou echter dit kanaal niet verder dan tot even voorbij de Krim (de provinciegrens) verlengd worden en nam de provincie als eigenaresse omtrent de hierin verder te ondernemen stappen een afwachtende houding aan. Het waren Zwiers en Berends die de knoop zouden doorhakken. Zij hadden daartoe een prachtig plan uitgebroed. Dit hield in dat ze zelf wel dat kanaal naar Coevorden zouden graven. Met de opbrengsten van de exploitatie van dit kanaal -een belangrijke verbinding tussen Coevorden en Zwolle- dachten ze de nodige investeringen wel spoedig te kunnen terugverdienen. In hun stoutste dromen zagen ze reeds een eigen stoombootdienst op hun toekomstige kanaal! Dat dit alles geen luchtkasteel was, blijkt uit de door hen in 1858 bij de Rijksregering ingediende aanvrage voor een concessie (vergunning) om dit kanaal te mogen aanleggen. Onder druk van de provincie Overijssel, die nu opeens ook zelf het nut van zo'n kanaal was gaan inzien, zouden beide aspirant kanaalheren al binnen het jaar hun aanvrage aan de provincie overdoen. Lef hebben ze ieder wél gehad, waarbij bedacht moet worden dat het door hen beoogde kanaal door Drents, Overijssel onwelgezind, gebied liep. Toch zouden ze het er bij deze teleurstellende ervaring niet laten zitten en zochten onvervaard naar nieuwe werkobjecten.

IV.   Drents avontuur
Al enkele maanden later diende zich voor hen een geheel nieuwe gelegenheid aan. Het ging hier om een te Dordrecht gevestigde kanaalmaatschappij, de zogeheten Oranjekanaal-maatschappij. Die was juist vanuit de Drentse Hoofdvaart bij Smilde bezig een kanaal dwars door Drenthe naar door haar gekochte venen in Zuidoost Drenthe aan te leggen. Die venen lagen ten zuidoosten van het dorp Emmen. Genoemde maatschappij wilde nu het laatste traject van het Oranjekanaal, dat gedeelte dat door haar venen zou lopen, in het openbaar aanbesteden. Zwiers kwam daar nu op af. Hij was hiervoor getipt door een veenbaas van de Oranjekanaal-maatschappij. Dat was de uit Dedemsvaart afkomstige Frederik Bladder, die al in het begin van de vijftiger jaren voor Zwiers en Berends werkzaam was geweest bij de begreppelings- en beraaiïngswerken in de Scheerse- en Anervenen. Bij de openbare aanbesteding, die eind 1859 plaatsvond, werd het werk aan Zwiers gegund. Berends bleef hierbij meer op de achtergrond als mede-financier. Zwiers had bij zijn opdrachtgever weten te bedingen, dat hij de bij het kanaalgraven vrijkomende turf voor zichzelf mocht behouden. Vooral de bovenste veenlagen kon hij best gebruiken voor zijn kalkovens. Bovendien had hij in die tijd te samen met zijn zwager Remmelt ten Have een steenfabriek achter zijn woning bij de kalkovens gesticht. Voor het werk in Z.O. Drenthe werden door Zwiers een aantal van zijn Slagharener veenarbeiders ingeschakeld. Die stonden bekend als harde werkers, die al omstreeks 1830 vanuit Duitsland naar de gemeente Avereest waren gekomen om daar werkzaam te zijn bij de aanleg van kanalen. Korte tijd later vestigden zij zich op een zandhoogte, het Slagharen. Zij zouden nu voor Zwiers bij diens nieuwe activiteiten goed van pas komen. Omdat Bladder goed met deze kanaalgravers overweg kon, kwam op zijn schouders het toezicht over het werk te rusten. Het kanaal werd begin 1863 opgeleverd. Al lang voor die tijd was het duidelijk geworden, dat dit karwei voor de aannemer een bijzonder verliesgevende aangelegenheid zou worden. Door de langdurige regenval in het jaar 1861 schoven de veenoevers steeds weer af in het nieuw gegraven kanaal. Hierdoor moesten deze steeds weer opnieuw worden uitgegraven. Dit kostte Zwiers veel extra arbeidskrachten, waarvoor hij steeds meer mensen, ook uit Dedemsvaart, moest laten overkomen. Aan het krachtdadige optreden van Bladder was het te danken dat hij het karwei, zij het na enig bekomen uitstel, nog tijdig wist op te leveren. In het jaarverslag van de Oranjekanaal-maatschappij over 1861 werd Zwiers veel lof toegezwaaid voor zijn ijver om zijn werk gestand te kunnen doen. Uit dit jaarverslag blijkt verder dat dit met grote financiële offers van zijn kant gepaard is gegaan. Het kanaal zou vele jaren later als naar Bladder vernoemd de Bladderswijk gaan heten. Het zou een zeer belangrijke verbindingsschakel tussen het Oranjekanaal en de Hoogeveense Vaart worden.
Daarnaast hadden Zwiers' activiteiten voor dit gebied nog een ander belangrijk historisch feit opgeleverd. In het najaar van 1860 werd namelijk de eerste turf uit dit gebied -en zeer waarschijnlijk ook die van het gehele uitgestrekte Zuidoost Drentse veengebied- per schip naar elders afgevoerd. Uit het voorgaande kan al worden afgeleid welk schip het betrof en met welke bestemming het vertrok. Het schip "De Lastdrager" werd door de Dedemsvaartse schipper Derk Schuurman naar de kalkovens van Zwiers gevaren. Schuurman was een stiefzoon van de indertijd zeer bekende Dedemsvaartse veenbaas Frederik Boterman, door diens huwelijk met de weduwe van Arend Harms Schuurman, Aaltje Derks.
Door het huwelijk van Derk Schuurman met Jantje ten Have, een zuster van Remmelt, was hij aangetrouwde familie van Egbert Zwiers geworden. Als zodanig trad hij dan ook als "vaste" turfschipper voor hem op. Ook was Zwiers hierdoor een zwager geworden van landbouwer/schipper Arend Hartman, die gehuwd was met Schuurman's zuster Geertje.

V.  "jonge Jan"
Ongeveer gelijktijdig met de teleurstellende uitkomsten van de aannemerij, kreeg Zwiers ook in familiekring een zware tegenslag te verwerken. Het betrof hier het overlijden van zijn enige broer Jan in 1861 op 26-jarige leeftijd. Deze Jan Zwiers, die evenals zijn vader Jan Zwiers "de Jonge" genoemd werd, was eerder evenals zijn broer in het veenbedrijf van zijn moeder werkzaam. Hij kreeg hier al vroeg kennis aan Maria Kurk, dochter van veenarbeider Hendrik Kurk, die woonde ten westen van het tegenwoordige Ommerkanaal, vooraan aan de zogenaamde Kurkswijk. Wellicht viel deze partij bij de familie Zwiers niet geheel in de smaak. Wat zich hierbij allemaal heeft afgespeeld valt nu niet meer met zekerheid te achterhalen. Feit is wel, dat Jan Zwiers met zijn jonge bruid uit Dedemsvaart vertrok naar Vroomshoop. Hij had daar enkele hectaren veengrond gekocht, waarop een eenvoudige woning stond. Nadat daar hun eerste zoon -opnieuw een Jan Zwiers- geboren was, kwam alles echter toch weer goed en keerde het gezin naar Dedemsvaart terug. Hij werd toen uitvoerend vervener voor zijn broer.

 

Kalkovens aan de Zwierswijk.


Dit gaf een beter bestaan dan het bescheiden veenderijtje te Vroomshoop, waar hij zich -om aan voldoende geldmiddelen te komen- tevens als losarbeider had moeten verhuren. Eénmaal terug in Dedemsvaart, bleek het
geluk van korte duur te zijn vanwege zijn wel zeer vroegtijdige overlijden. Na al die dieptepunten werd het gezin van Egbert Zwiers in 1861 verblijd door de geboorte van hun eerste dochter. Enkele jaren eerder was al een
geestelijk minder volwaardige zoon geboren. Eén van de meest glorieuze momenten van zijn leven moet wel de in het vroege voorjaar van 1862 plaatsgevonden ontmoeting met Koning Willem III zijn geweest. Het was tijdens een dienstreis van de koning, waarbij deze, na Hoogeveen bezocht te hebben, ook Dedemsvaart
aandeed. Hierbij werd onder andere de veenderij van Zwiers met een bezoek vereerd. 

VI.   Zwiers als "(aan)stichter" van een Overijssels dorp in Drenthe
Een belangrijk gevolg van Zwiers' en Bladder's kanaalactiviteiten in Zuidoost Drenthe was dat hierdoor de belangstelling van veel Slagharenaars voor dit gebied was gewekt. Onder de Slagharener kanaalgravers waren er nogal wat, die te Slagharen en omgeving tevens aan boekweitcultuur deden. Door de toenemende vervening van met name de Dedemsvaartse verveners in de Lutter-venen werden de mogelijkheden voor de Slagharenaars om nog nieuwe percelen voor hun boekweitverbouw te kunnen verkrijgen, steeds minder. In Zuidoost Drenthe, waar nu ook de Oranjekanaal-maatschappij grote oppervlakten veengrond ten behoeve van de boekweitteelt ging uitgeven, waren er mogelijkheden te over. In 1863 emigreerden de eerste gezinnen uit Slagharen naar dit Zuidoost-Drentse gebied. Hier vestigden ze zich met hun gezinnen, niet ver van de huidige Bladderswijk, op een zandhoogte, die gevormd werd door een uitloper van de Hondsrug. In de hierop volgende jaren zouden hen nog vele gezinnen uit Slagharen volgen.

 

Monument "De kanaalgravers" te Erica.

Ook vestigden er zich in die tijd een aantal Avereester families zoals Berendsen, Bruggewert, Braam en Massenais (Mazenier). Deze nieuwe boekweitkolonie kreeg de naam Erica naar de heide, die daar zo welig groeide. In de volksmond heette de kolonie naar de herkomst van de meeste bewoners "Nieuw-Slagharen". Toen een aantal jaren later de van Hoogeveen in oostelijke richting gegraven verlengde Hoogeveense Vaart, die enkele kilometers bezuiden van Erica liep, tot even voorbij deze plaats gereed was, ontstond daar langs het kanaal eveneens een nieuwe kolonie. Die werd ook wel Erica genoemd. Anders dan het zanddorp Erica, ging het hier om een veenkolonie. Hadden zich in het zanddorp vooral Slagharenaars gevestigd, in die nieuwe veenkolonie aan het kanaal ging het voor een niet onbelangrijk gedeelte om Avereesters. Dit waren o.a. schipper Klaas ten Kate, de veenarbeider -later veenbaas- Hendrik Brunemeijer, de huurvervener Roelof Krikke, de voormalige eigenaar van een Dedemsvaartse bezem- en boendermakerij Jan Visscher en de bakkersfamilie Stoker-Keuken. Ook schipper Derk Schuurman, hij was intussen weduwnaar van Jantje ten Have, vestigde zich met een aantal van zijn kinderen te Erica aan de brug. Daar bouwde hij met zijn zoon Johannes een groot woon-winkelhuis. Schuurman had te Dedemsvaart een aantal jaren een in 1860 op de werf van Mittendorff gebouwde en 16 ton metende trekschuit, een zogenaamde snikke, in de vaart gehad. Toen hij eenmaal te Erica woonde, deed hij zijn schuit al spoedig over aan een combinatie van Hoogeveense en Nieuw-Amsterdamse kooplieden, die er een trekschuitenveer tussen Hoogeveen en Erica mee gingen onderhouden. De familie Schuurman zou in de loop van de jaren te Erica een steeds toonaangevender plaats gaan innemen. Hieraan zal haar verwantschap met vooraanstaande Avereester families en de daaruit voortvloeiende relaties niet vreemd zijn geweest. De familie Schuurman legde hier te samen met haar aangetrouwde familieleden nogal wat ondernemingsgeest aan de dag. Dit resulteerde in de stichting van een groot aantal (veen)industriële bedrijven. Een zeer belangrijk aandeel had zij bij de tijdens de eerste wereldoorlog opgerichte ammoniakfabriek te Klazienaveen. Die grote fabriek was in Nederland enig in haar soort. Zij produceerde uit turf kunstmeststoffen. Tot de aandeelhouders van deze onderneming behoorden een aantal eerder uit Groningen naar Dedemsvaart "geëmigreerde" boeren als Derk Biewenga, Arend van Linge, Jannes Wolthuis Wzn. en Wilhelmus Gregorius Scholtens.

 

Overzichtskaart van het gebied van de Dedemsvaart met het daaraangrenzende deel

van Zuid- en Zuidoost Drenthe, waarin de kanalen en wijken waarbij Zwiers was

betrokken staan aangegeven.

 

Door haar overwegend uit Overijssel, meer speciaal uit Slagharen en Dedemsvaart, afkomstige bevolking zou Erica zeer lange tijd haar karakter van "Noordoost Overijssels dorp" in Drenthe blijven behouden. Tussen het zanddorp Erica en de gelijknamige veenkolonie bestond nog een ander onderscheid. Deze betrof de godsdienstige gezindte. Waren de bewoners van het zanddorp nagenoeg allemaal Rooms-Katholiek, die van de veenkolonie waren overwegend protestant. Het is, gezien de oorsprong van een overwegend deel der bevolking, niet verwonderlijk, dat de godsdienstige verzorging van dit gebied in "Dedemsvaartse" handen was. Zo was er onder de katholieke bevolking in de begintijd een van oorsprong uit Dedemsvaart afkomstige pastoor werkzaam, Johannes Hermanus Geerdes, die door familiebanden ook met Slagharen verbonden was. De zielszorg van de gereformeerden werd hier lange tijd behartigd door oefenaar, een soort lerend ouderling met preekbevoegdheid, Hendrikus Meijerink, die eerder als veenarbeider te Dedemsvaart werkzaam was geweest. Hervormd Erica zou het lange tijd zonder geestelijke verzorging moeten stellen. De Ned. Herv. kerk toonde weinig belangstelling voor deze afgelegen veenkolonie. Pas in 1885 zou zich daar een hervormd evangelist vestigen, Wilhelm Jonker jr., die daar later predikant werd. Eén van zijn dochters, Marie Jonker, gehuwd met kunstmesthandelaar Gerrit Jan Visscher (later Spijkman, aan de Hoofdvaart) zou later te Dedemsvaart enige bekendheid genieten door haar in de Dedemsvaartsche Courant gepubliceerde religieuze gedichten onder de naam "Mavis".

VII.  de bloeitijd
Hadden de door Zwiers in de beginjaren zestig in Zuidoost Drenthe ondernomen kanaalwerken daar tot grote gevolgen geleid, ook in Dedemsvaart had de tijd niet stilgestaan. Mede door zijn bemoeiïngen was het hier in 1860 tot de oprichting van een Kamer van Koophandel en Fabrieken gekomen. Deze instelling voorzag in een grote behoefte, omdat de handel en nijverheid binnen de gemeente Avereest een steeds groter vlucht was gaan nemen. Eerder viel de gemeente Avereest onder de Kamer van Zwolle. De grote drang tot een verzelfstandiging had echter tot afsplitsing van Zwolle geleid. Vanzelfsprekend maakten Zwiers en zijn zwager Arend Berends vanaf het moment van de oprichting deel uit van het bestuur van deze instelling. Zwiers bracht het tot ondervoorzitter, terwijl zijn zwager Remmelt ten Have de functie van secretaris vervulde. Ook Rudolf Bokking maakte enige tijd deel uit van het bestuur. Een vooraanstaande plaats binnen dit bestuur werd tevens ingenomen door de bakker en winkelier Egbert Bruins Slot. Deze was aangetrouwde familie van Zwiers en ten Have. Daarnaast was hij gemeenteraadslid en later ook kerkelijk ontvanger. Opvallend bij de Avereester kamer voor koophandel was dat veruit de meeste bestuursfuncties werden bekleed door van oorsprong uit Hoogeveen afkomstige Avereesters. Het geheel maakt voorts de indruk een familie-aangelegenheid te zijn geweest. Dit geldt ook voor wat betreft het steeds voorkomen van nagenoeg dezelfde namen in de bestuurscolleges van de Ned. Hervormde kerk te Dedemsvaart.

 


Ook in politiek opzicht lieten Zwiers en Berends zich vanaf de jaren zestig gelden door hun beider lidmaatschap van de gemeenteraad. In die hoedanigheid hebben ze zich in de periode van 1862 tot 1865 bijzonder ingezet voor de totstandkoming van het Ommerkanaal. Bij de jarenlange onderhandelingen tussen de gemeentebesturen van Avereest en die van Ommen hebben ze hun gewicht van aannemer ten volle in de schaal gelegd. Juist in die tijd maakten de kalkovens van Zwiers, alsmede de door hem met ten Have gedreven steenfabriek een periode van grote bloei door. Bij de steenfabriek, waaraan ook een pannenmakerij was verbonden, waren in 1865 al 15 personen werkzaam. Om in de hierdoor ontstane behoefte aan brandstof te kunnen voorzien, hadden Zwiers en ten Have uitgestrekte veenderijen in de Lutter-venen en bij het nabij Hoogeveen gelegen Nieuweroord gekocht. Alleen al deze veenderij te Nieuweroord besloeg meer dan honderd hectaren.
Bij het in exploitatie brengen van die venen werden ook hier door Zwiers vele kilometers wijken gegraven. Al eerder was de Dedemsvaartse timmerman/aannemer Jacob Kleinmeijer, inmiddels ook een grote vervener geworden, in dit gebied betrokken geweest bij de bouw van houten schutsluizen.
Toen in de jaren na 1870 de afzet van kalk stagneerde begon Zwiers ook met een handel in bouwmaterialen, waartoe hij in 1877 het grote pakhuis van Jhr. van Swinderen aan de Nieuwewijk -dit pakhuis heette "Rijswijk"- overnam.
De metselstenen van de steenbakkerij hadden vanwege de goede kwaliteit een zeer goede naam. Zij werden o.a. gebruikt ten behoeve van de sluizenbouw.

 

Overzichtskaart van het gebied van de Dedemsvaart met het daaraangrenzende deel

van Zuid- en Zuidoost Drenthe, waarin de kanalen en wijken waarbij Zwiers was

betrokken staan aangegeven.


Ook bij de aanleg van straatwegen in de gemeente Avereest nam Egbert Zwiers in die tijd een belangrijke plaats in. Zo was hij één van de initiatiefnemers tot de aanleg van een straatweg vanaf Dedemsvaart over het Zwarte Pad naar het 16e Wijkje en verder in zuidelijke richting naar de gemeente Ambt Ommen en voorts in oostelijke richting tot onder de gemeente Ambt Hardenberg. Van de commissie tot aanleg van deze straatweg maakte hij jarenlang als secretaris deel uit van het bestuur. Of hij zelf als aannemer bij de aanleg van die belangrijke wegverbinding was betrokken is tot nu toe niet aan het licht gekomen.
Al enkele jaren eerder, na het overlijden van zijn compagnon Remmelt ten Have in 1875, wist Zwiers door overname van veengrond van de erfgenamen aan zijn veenderijen een grote uitbreiding te geven. Ook nam hij ten Have's aandeel in de steenfabriek en pannenmakerij over. Het merendeel van zijn veenderijen was buiten de gemeente Avereest gelegen. Men kan geen plaats bedenken of hij bezat er wel veen, zoals in de gemeenten Ambt Hardenberg, Gramsbergen, Coevorden, Hoogeveen, Westerbork, Oosterhesselen, Den Ham en Hellendoom. Het totaal aan veenbezit besloeg meer dan 250 hectaren.
In zijn functie van ondervoorzitter van de Kamer van Koophandel heeft hij zich in zijn laatste levensjaren bijzonder beijverd voor de totstandkoming van het Stieltjeskanaal. Bij de aanleg van dit kanaal waren ook enkele uit Dedemsvaart afkomstige aannemers betrokken zoals de eerder genoemde Jan Visscher, die later naar Erica zou verhuizen en een zekere ten Kate. Egbert Zwiers heeft de gereedkoming van dit, ook voor de Dedemsvaart belangrijke, scheepvaartkanaal in 1884 nog mogen meemaken. In datzelfde jaar overleed op 59-jarige leeftijd deze veelzijdige Dedemsvaartse ondernemer en leidinggever op vele fronten.

VIII.   het einde van de onderneming
Zijn opvolger en enige zoon Jan Zwiers bleek niet in staat het succes van zijn vader voort te zetten. Hij huwde in 1891 met Aaltje Weide, een kleindochter van Arend Weide én van Frederik Boterman. In 1893 werd hun zoon Egbert geboren, in 1896 dochter Roelofje Johanna, en in 1898 Johanna Roelofje (ovl. 1899).
Hoewel Jan Zwiers zich gaarne fabrikant liet noemen en in deze tijd één van de wijken te Nieuweroord de naam van Zwierswijk kreeg, liep de onderneming niet voorspoedig. Toen in 1893 zijn moeder Roelofje Veningen overleed, waren de zaken al danig aan het teruglopen. Het duurde toen niet lang meer tot het doek zou vallen. Jan Zwiers beschikte niet over de leiderscapaciteiten van zijn vader en zijn grootvader. Daarbij kwam nog dat hij harde klappen te verduren kreeg door de in de jaren tachtig in de veenderijen ingetreden crisis. Hierbij stagneerde de afzet van turf door de concurrentie van steenkolen.
Daarnaast gaat het verhaal dat in die jaren bij de familie Zwiers de drank een grote rol ging spelen, wat natuurlijk ook niet bevorderlijk zal zijn geweest voor een goede bedrijfsvoering. Hoe dit alles ook geweest is, in ieder geval was Jan Zwiers omstreeks de eeuwwisseling de financiële nood tot aan de lippen gestegen. Eén en ander had er zelfs toe geleid dat het woonhuis aan de Zwierswijk verkocht moest worden. Het gezin betrok toen een huisje achter de kalkovens. In 1899 overleed Aaltje Weide en ruim een jaar later Jan Zwiers zelf. Ze werden begraven in het monumentale familiegraf van Egbert Zwiers op het kerkhof in de Mulderij. Vlak naast dit graf bevindt zich ook de laatste rustplaats van Remmelt ten Have. Het is opmerkelijk dat, hoewel hij toch een vooraanstaand steenfabrikant was, zijn graf niet wordt gedekt door een steen. In 1901 werden ten overstaan van notaris Meesters alle veenderijen verkocht. Jan Zwiers' zusters zouden een langer leven zijn beschoren. Het waren twee excentrieke dames met, naar gezegd wordt, smaak voor alcohol. De twee kinderen van Jan Zwiers en Aaltje Weide werden in huis genomen door hun grootvader Wolter Weide, zelf sinds 1874 lid van de gemeenteraad. Vóór diens overlijden, in 1909, zijn ze echter naar elders vertrokken.
Helemaal uitgespeeld was de rol van de familie Zwiers te Dedemsvaart echter nog niet. Een neef, de zoon van de eerder in dit verhaal genoemde, jong gestorven Jan Zwiers de jonge en Maria Kurk, ook weer Jan Zwiers genaamd, zou in Dedemsvaart nog weer van zich laten spreken. Hij groeide op aan boord van het schip van zijn stiefvader Jacob Brouwer. Zelf werd hij ook turfschipper en hij trouwde met Alberdina Westerhuis. Het paar bleef kinderloos. Aan het begin van deze eeuw vestigde hij zich weer aan de wal te Dedemsvaart. In 1943 is hij overleden.
En zo eindigt het verhaal in feite zoals het begon: met schipper Jan Zwiers die zich in Dedemsvaart aan de wal vestigde.

Helmuth Rijnhart
Wim Visscher

.

 

 

Ga terug