Jeugdherinneringen aan en belevenissen uit de Tweede Wereldoorlog in en om Balkbrug  (V).   2006-1

 

Op een gegeven ogenblik was de SS met stille trom vertrokken uit Balkbrug; misschien moesten ze naar één of ander front. "Veldzicht" was weer verlaten door de Wehrmacht, maar dat duurde niet lang. Op een zondagmorgen kwamen  de eersten er weer aan. Je kon goed aan hen zien, dat het leger van het "Derde Rijk" op zijn retour was. Ik weet nog heel goed, dat het op een zondagmorgen was.

 

De kachelpijp

We stonden met een paar jongens uit Balkbrug voor de poort van "Veldzicht" te kijken. Een wat oudere Duitse soldaat kwam op ons aangelopen met een stuk kachelpijp en vroeg waar een smid woonde.  We kregen direct allemaal een sigaret. De Wehrmacht had toen speciale sigaretten, Consi genaamd. Ze waren in diverse kwaliteiten aangeduid met de kleuren geel, blauw of groen. Ik noem die kleuren, want die hadden wij als jongens van tien à elf jaar even later allemaal. Onderweg naar de smid moedigde hij ons aan vooral hard aan de sigaret te trekken, want hij had sigaretten genoeg. We konden zoveel krijgen als we wilden. In Balkbrug bij de smederij van Breman aangekomen (de smederij was achter hotel Hendriks, nu de Chinees)  bleek hij naar de kerk te zijn. Maar geen nood! De Duitser had nog sigaretten genoeg en we konden wel een poosje wachten. Breman had zowel binnen als buiten een groot aambeeld staan. Op de laatste nam de Duitser plaats en om de tijd te doden werd er weer volop gerookt. Tot op de dag van vandaag herinner ik mij het gezicht van die Duitser: Een man van plm. 45 jaar met een aardig innemend gezicht en een slimme en vrolijke uitstraling. Breman kwam thuis, hoed op en een lange zwarte jas aan. We hadden niet alleen op het dorp een kruidenier met een H.B.S. diploma, maar ook een smid met Mulo-opleiding. Breman kon dus goed met de Duitser praten. Deze vertelde hem, dat er een elleboog en langere pijp aan het stuk dat hij had meegenomen, vastgemaakt moest worden. Het was diep in de herfst, dus wilden ze de kachel laten branden. Breman sloeg de hem aangeboden sigaret af en vertelde de soldaat dat hij dat allemaal wel kon en wilde doen, maar niet op zondag. Even was er een pijnlijke stilte. Toen draaide de Duitser zich een beetje om, knipoogde naar mij, trok zijn revolver en schoot tweemaal in de lucht. Hierop kwamen de buren aangelopen en wisten Breman te overtuigen toch maar aan het werk te gaan, ook al was het zondag. Breman is aan het werk gegaan met zijn hoge hoed nog op. Geen moment ben ik bang geweest, dat dit verkeerd zou aflopen. De Duitser had mijn volste vertrouwen. Of er ook Consi wit bestond weet ik niet, maar mijn gezicht had die kleur wel. Ook mijn vriendjes waren één voor één afgedropen, allemaal ziek van de sigaretten. Gauw naar huis was het enige wat ik nog wilde. Ziek als een hond voelde ik mij en heeft jaren geduurd, voordat ik weer een sigaret gerookt heb.

 


De timmerwerkplaats bij rijksasyl "Veldzicht"

 

De Duitsers en hun zelfgebouwde tank

Om te illustreren hoever het peil van het leger van het "herrnvolk" al gedaald was het volgende: In de timmermanswerkplaats van het rijksasyl "Veldzicht" werden twee tanks gemaakt om mee te oefenen. Het waren vier houten kruiwagenwielen in een houten onderstel, waarop met triplexplaten en karton de vorm van een tank geplaatst was. Het geheel was op de schilderswerkplaats van camouflage-verf voorzien. In het voertuig moesten vier soldaten plaats nemen: twee vóór en twee achter. Ze kropen in een soort tuig en brachten beweging in de tank door vóóruit of achteruit te lopen. Bij een bocht naar links of rechts moesten ze zich oprichten, zodat de wielen van de grond kwamen. Door een paar passen opzij te doen, konden ze van richting veranderen. Dat dit werkelijk lachwekkend was hadden ze zelf ook door. Het was een bijeengeraapt zooitje. Oudere Duitse soldaten met daarbij veel jongere soldaten in diverse uniformen, zelfs van de arbeidsdienst. Ze vertrokken soms om te oefenen vanaf het rijksasyl richting de brug om vervolgens linksaf te gaan door het wagenspoor van de Noordkant (de zaandkante) om even voorbij Beverwijk het Heuveltjesbos in te duiken. Dit ging niet zo eenvoudig. De vier in de tank hadden een "makkie" als ze rechtuit ‑ rechtaan op een verharde weg reden. Maar om in een karrenspoor te rijden en dan rechts af over de trambaan en het fietspad, dan weer op een ander zandpad verder te rijden, was niet eenvoudig. Het ging in de tank veelal gepaard met gezucht, gevloek en getier. Buiten de tank was het lachen geblazen, zowel door de toeschouwers als de jonge soldaten. Voor het Heuveltjesbos op het land van Lokken (destijds de eigenaar van café Takens), werd tussen de hopen geplukte knollen soldaatje gespeeld.

 

Permanente bewaking op de brug

Op de brug was nu ook permanente bewaking ingesteld. In het voormalig (eerste) postkantoor waren ze gehuisvest met de Duits herdershond "Wolff". Er was één soldaat bij uit Nordhorn. Daar kon mijn vader wel mee praten. Aan hem werd gevraagd wanneer hij dienst had. Als hij om bv. 5 uur dienst had, konden we over de brug. Egbert ten Kate (tractor ten Kate) had een stevige fietskar in elkaar gelast, met een stevig houten bak erop. In deze fietskar vervoerden wij een varken (op de boerderij reeds gedood) met wat stro en een paar mud aardappelen erover. Op de afgesproken tijd kwamen wij bij de brug en de Duitser hielp ons zelfs door mee te drukken om over de brug te komen. In de slagerij werd het varken dan clandestien geslacht. De bewaking op de brug was niet zo streng dat men voedsel van de etenhalers afpakte, maar er werd gecontroleerd op persoonsbewijzen.

 

In het gebouwtje helemaal rechts op deze foto (met plat dak) waren de Duitsers gehuisvest.

 

Zoutgebrek

In de laatste oorlogswinter was aan veel artikelen gebrek. Ook zout was moeilijk te verkrijgen en omdat er veel clandestien werd geslacht, zowel bij boeren als bij burgers, was er veel vraag naar. De slagers kregen een toewijzing voor zout; de grootte hiervan werd bepaald door het aantal vleesbonnen, dat door hen ingeleverd was. Eens in de maand werd er een verzoek ingediend om een toewijzing voor het aantal kilo's te verkrijgen. Mijn vader deed altijd een aantal vlees‑ en broodbonnen in de enveloppe van het aanvraagformulier. De ambtenaar in Den Haag verdubbelde dan zijn aanvraag van twintig kilo naar veertig kilo. Maar al gauw werden stad-  en landbonnen door de bezetter ingevoerd. Ook hier werd weer wat op gevonden: De Wehrmacht-soldaten hadden aparte bonnen en die waren overal geldig. Dus deze gingen nu richting Den Haag.

Als je voldoende zout had, dan kon je ruilen tegen andere artikelen bijv. tien pond zout voor één pond boter. Geld werd steeds minder waard. Het werd steeds meer ruilhandel.

 

De kar bij Breman

Na de oorlog heeft er nog jaren lang een van buizen gemaakte kar naast de schuur van smid Breman gestaan. De etenhaler, die met deze, vol met etenswaren geladen kar, richting het westen trok is in Balkbrug door uitputting overleden. De bij elkaar gescharrelde aardappels en andere levensmiddelen werden door bekenden over andere voertuigen en fietsen verdeeld en hopelijk zijn ze toch nog bij zijn familie terechtgekomen. De kar was veel te zwaar om te trekken, doordat er te kleine wielen onder zaten. Als kinderen mochten we er van Breman niet mee spelen. Misschien kwam familie de kar nog eens ophalen. Stiekem hebben wij het wel eens geprobeerd, maar die was veel te zwaar om vooruit te komen.

 

Jan Nijensikkens

 

 

 

Ga terug