Jeugdherinneringen aan en belevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog in en om Balkbrug (VI).

 

Bij het zien van de foto's van het Heuveltjesbosbad en de kanovijver vlak voor de opening in 1938 kwam bij mij de herinnering boven aan de officiële opening van het zwembad. Als vijfjarige was ik in mijn eentje naar die opening gegaan. Lopend langs en op de rand van het zwembad werd ik er onverwachts ingedrukt. Een jankende, teleurgestelde, verontwaardigde maar ook kletsnatte Jan was het gevolg. Op de terugweg naar huis vroeg vrouw Hansen mij of ik gezwommen had, maar ik kon alleen maar snotterend uitbrengen: ”Zij hebt mij er in edrukt”. Het leven kent vele tegenslagen, die je maar te accepteren hebt;  het vertrouwen in de mensheid had wel een flinke knauw gekregen.

 

Cabine wordt woning

In de herfst van 1944, na het zwemseizoen, werd het gebouw tussen de twee rijen kleedhokjes (links de meisjes, rechts de jongens) ingericht als woning. Tijdens het zwemseizoen werden de kleren in de cabine opgehangen aan metalen kleerhangers met een nummer, zodat je die na het zwemmen weer op kon halen.

 

In de gemeenteraad van Avereest was een conservatief lid fel tegen het aanleggen van een kanovijver. In zijn onwetendheid noemde hij het een "kanovijver". Dit werd breed uitgemeten in de pers. Toch heeft hij gelijk gehad: Het is nooit iets geworden.

 

Een familie uit Rotterdam kwam in de cabine wonen. Het waren evacuées, zoals er velen waren in Balkbrug. De woningnood was groot, daarom werden deze mensen hier ondergebracht. Het moet wel erg koud zijn geweest in die strenge winter. Tot de familie behoorde een zoon van mijn leeftijd, waar wij graag vriendjes mee wilden zijn. Het was voor ons een uitdaging om hem mee te nemen en van alles van het platteland te leren, zoals het met de tanden schillen van knollen. De ronde gele waren lekkerder dan de lange witte blauwkoppen. Het meeste zand van de knollen werd aan het gras afgeveegd en het laatste aan de broek. Ook gingen we tamme kastanjes zoeken in de Schans, beukennootjes en eikels rapen. We leerden hem hutten bouwen en vuurtje stoken. Maar ook het herkennen van boeren, die met hun merries van heinde en ver kwamen om naar het bekende hengstendekstation van Grootenhuis in Balkbrug te gaan.

De jongen uit Rotterdam ging ook een keer mee en heeft  's avonds uitgebreid verslag aan zijn moeder gedaan. De volgende morgen, toen we hem weer op wilden halen, werden wij door diezelfde moeder getrakteerd op een flink portie klappen met de mattenklopper. We waren vieze jongens en hij mocht nooit meer met ons spelen. Voor ons was dit onbegrijpelijk, je ging toch ook met het konijn naar de ram of met de geit naar de bok.

 

Zeeuwen op Den Kaat

Op Den Kaat was een familie uit Zeeland met een zoon van onze leeftijd. Hun naam was gelijk aan de plaats waar ze vandaan kwamen, ik geloof Bruinisse. Op een morgen zou mijn vader volkomen legaal een varken bij hen slachten, maar ze hadden geen heet water. In Zeeland was het gebruikelijk het haar van het varken er met stro af te branden, maar hier doen we dat met heet water. Het slachten is dan ook een week uitgesteld. Toen hadden ze wel een kookpot met heet water.

 

Nog meer westerlingen

Bij Tinus van Buren aan de Meppelerweg was een familie uit Den Haag en bij opa Veldhoen, ook aan de Meppelerweg, was een meisje dat vroeger door kinderverlamming getroffen was. Ze was in mijn ogen erg dapper. Als ze hard liep bij het spelen, hield ze haar ene arm met de andere altijd goed vast. Zo waren er veel mensen uit het westen des lands, die geëvacueerd waren en in Balkbrug een onderdak vonden. Ook waren er heel veel onderduikers. Een heleboel uit Rotterdam. Voetbalclub Xerxes kwam na de oorlog regelmatig een wedstrijd spelen in Balkbrug. Klaas Brouwer, de paardenhandelaar, ging vaak naar de paardenmarkt in Rotterdam. Daar kocht hij paarden, maar nam ook vaak onderduikers mee. Eén van de eersten was: Cock Hooijkaas. Hij was keeper bij sportclub Balkbrug en later ook badmeester in het Heuveltjesbosbad. Hij trouwde met mijn achternichtje Frie Bergsma. Ze emigreerden naar Nieuw Zeeland, waar hij een tiental jaren geleden is overleden. Hij was een aardige vent en Jan Dekker heeft van hem het keepersvak geleerd, althans veel aanwijzingen gehad. Overal in de buurtschappen rond Balkbrug waren onderduikers, ook veel kinderen uit het westen waren hier om aan te sterken. Bij ons thuis was een oudere jongen uit Rotterdam.

 

Etenhalers

De stroom etenhalers werd steeds groter en 's-middags zaten veel mensen bij ons aan tafel. Rond twaalf uur werd bij velen aangeklopt of men mee mocht eten. Als de tafel rondom bezet was, werd de deur op slot gedaan en de mensen te kennen gegeven dat er niemand meer bij kon. Eén keer heeft mijn vader de deur weer van slot gedaan. Een oud vrouwtje heeft toen ook mee gegeten. Ze verontschuldigde zich na afloop, omdat ze zoveel gegeten had maar ze was erg hongerig geweest. Je moest wel oppassen dat het eten niet te vet was, want dat was niemand meer gewoon. Het Rode Kruis zorgde voor slaapplaatsen en 's  morgens en 's avonds voor een paar plakken brood. Vierendertigduizend  mensen zijn er in het najaar van 1944 en de winter en voorjaar van 1945 zo voort geholpen. Bij bakker Seubring vonden vele etenhalers, door ons ook wel trekkers genoemd, een slaapplaats voor de nacht op de meelzolder, boven de warme oven. De oven werd in de oorlog weer met takkenbossen gestookt.

 

Kwaliteit van het meel

De bakkers kregen steeds minder en slechter meel, zodat het voor hen steeds moeilijker werd een eetbaar regeringsbrood te bakken. Het regeringsbrood was een brood, gebakken met niet al te best meel, dat door de regering was verstrekt. De kwaliteit van de gist liet ook vaak te wensen over, zodat je een half gerezen brood kreeg met halverwege een dikke laag die niet gaar leek en die wij "klibbe" noemden. Het was beter een zak tarwe te bemachtigen, deze op de molen te laten malen en dan bij de bakker te brengen, die er brood van bakte. De molenaar nam een beetje meel als maalloon en de bakker een paar broden als bakloon. In diezelfde winter heb ik een zwervende herdershond, waarschijnlijk meegekomen met de vluchtelingen uit Arnhem, aan een touw mee naar huis genomen Het bleek een vals en onbetrouwbaar kreng te zijn. Mijn vader heeft hem geruild voor een zak tarwe. Hij heeft als waakhond dienst gedaan bij de molen, om ondergedoken mensen te waarschuwen.

Hierna nog een verhaal van een jonge etenhaler, die ook in Balkbrug is geweest.


Jan Nijensikkens

 

De hongerwinter

Tegen het einde van de oorlog, begin 1945, liep het al heel snel echt fout. Zes Italiaanse deserteurs werden in het weiland achter ons huis (in Woerden) gegrepen en door de Duitse militairen op het magazijn standrechtelijk dood geschoten (dat werd er verteld). Ik heb hen bloedend voor ons huis langs zien strompelen, één op een geïmproviseerde draagbaar, hun laatste gang. Een radeloze ervaring. In Zegveld hingen ze drie mannen op bij de kerk, (engelse vliegers werd er verteld), maar dat is niet erg waarschijnlijk. Het gonsde van de geruchten in die tijd. We hoorden ook dat het hele dorp Putten was gedeporteerd. De Jeugdstorm marcheerde toen al niet meer, geloof ik. Er waren op dolle Dinsdag al veel NSB-ers gevlucht, meestal richting Duitsland.

 

Maar de handkar terug betalen!

Er braken ziektes uit. We werden allemaal ingeënt tegen tyfus, paratyfus en  difterie. Erg pijnlijke injecties met grove naalden waren dat toen.

In januari '45 was de nood  zo hoog gestegen, dat er echt iets moest gebeuren. We hadden nog hoogstens voor een dag of veertien eten en dan was 't echt allemaal op. Ze vertelden dat je in Drenthe en Overijssel nog aardappelen kon kopen. Mijn vader en een buurman leenden een handkar van de fabriek en vertrokken met geld en 'kostbaarheden' richting Drenthe.

Een week of drie later waren ze terug. Mijn vader huilde radeloos: In Utrecht hadden ze 's nachts (toen hij bij zijn broer sliep) zijn handkar met aardappelen gestolen. Hij stond snikkend in de kamer. Ik ben weg gelopen.

De fabriek eiste dat ze de handkar zouden betalen. Verdrietige herinneringen.

 

Het hongeravontuur

Op 19 februari 1945 reed er weer een handkar de straat uit: met mijn moeder er achter, mijn broertje Piet, 12 jaar en ik, net 15 jaar, met een touw over onze schouders, ervoor. Er lag sneeuw, het was koud en nat. Op hongertocht naar Drenthe. Was ik bang? Nee hoor. Ik was iets nieuws aan 't ondernemen. Geen spoortje van angst herinner ik mij. Wel spanning en voortdurend behoedzaam en attent op gevaar. Je keek regelmatig naar de lucht: jagers of bommen-werpers te zien?

Het werd een barre tocht. We hadden voor een paar dagen wat te eten bij ons, verder niets. Onderweg sliepen we in scholen en kerken die voor deze mensen waren vrijgemaakt. Daar kreeg je soms soep of heel soms een stuk brood. Slapen deed je op de grond of, als het heel erg luxe was, op een laagje stro. Amersfoort herinner ik me, een kerkzolder! En Zwolle, ook een kerk. (Geloof ik

tenminste).

 

"Raus, mitkommen"

Ergens, ik weet niet meer waar, werden we 's nachts plotseling wakker ge-schopt: Duitse militairen met zaklantaarns, op zoek naar alle jongens en mannen vanaf 15 jaar; die moesten mee om te graven en te werken aan verdedigingswerken, die de ”Organisation Todt” had opgezet. "Zwölf

Jahr ist er", zei mijn moeder en wellicht moet ik dankbaar zijn dat ik zo'n klein scharminkel was. Ze geloofden het. Ik werd uit de rij gehaald en mocht terug naar mijn moeder. Gek, ook op dat moment was ik niet echt bang, Wel tot het uiterste gespannen en loerend op een uitweg, een ontsnapping. (Denk ik, nu). Of  is de angst gewoon versleten en verdwenen in de tijd? Ik sprak trouwens zelf een vrijwel vlekkeloos Duits in die tijd. Dat kon bijna niet anders: laatste klas van 4 jaar MULO, 'n talenknobbel èn je hoorde de hele dag door Duits.

 

Handelen

Spijkerhard was mijn moeder toen. 'n Man onderweg herinner ik mij, bijna stervend van honger, die om een snee brood smeekte. Hij kreeg niets, "Nee", zei ze, 'Dat is voor mijn man en mijn jongens." Precies zo, en niet anders is het gebeurd. Ik denk dat ze hem rustig zou hebben laten creperen. Had ze ongelijk? De aardappelen kochten we ergens buiten Hardenberg, bij boeren. Mijn moeder heeft er alles voor weggegeven wat ze had: lakens, schoenen, haar trouwring en weet ik wat al niet meer. Genadeloze handel. Maar we hadden een stuk of zes zakken met aardappelen, een stuk zeil over de kar. Nu terug, lopend door de sneeuw, de kou, de regen, sjouwend, trekkend, beulend. 's Nachts, doodsbenauwd voor diefstal, sliepen we zelfs onder de kar. Dat was pas echt kou lijden! Mijn moeder moet ontzettend hebben geleden (45 jaar en ondervoed en ze had al zeven kinderen gekregen). En wij, snotneuzen? Mwah.... Ondanks alles voelde het soms meer als een avontuur, een angstig avontuur, maar toch. Kan je als kind, als jongen van vijftien jaar de reikwijdte van wat er gebeurt overzien? Gewoon vaak ook een avontuur. Een spannende onderneming. Maar je besefte ook degelijk wat er speelde: Er was eenvoudig geen keus!

 

Het "melkfabriekje" in Balkbrug.

 

Melk uit een schietgat.

In het dorpje Balkbrug stond een kleine melkfabriek, even voorbij de brug over de Dedemsvaart, die toen nog niet gedempt was. Er lag een groot, leeg schip voor de wal. Binnen in de fabriek werd gratis melk geschonken aan de hongerlijders; daar wisten we dus wel raad mee. Moeder wachtte buiten bij de kar. Wij dronken melk, gezeten in een soort oude koeienstront-goot achter een hoge, roestvrij stalen tank. Plotseling, buiten het ”huilen” van vliegtuigen en geratel van machinegeweervuur, een schip werd beschoten door een paar Engelse jagers en stond in een mum van tijd in brand. Mijn moeder stond buiten radeloos te krijsen: "Evert en Piet, Evert en Piet”.

Maar Evert en Piet zaten veilig diep in de goot achter de melktank. Er was een scherf of een kogel dwars door het staal geslagen en de melk liep er uit. "Lekker", zei Piet en hield zijn beker nog eens een keer onder de straal. Hij is altijd al een apart figuur geweest. We wisten hoe het toeging bij beschietingen. Bovendien, er was altijd wel een schuttersput of een greppel in de buurt, die bescherming bood. Nu lagen we in een betonnen sleuf. Niet bang. Raar hè.

Broer Piet kende al helemaal geen angst. Die leefde op spanning.

 

Het kleine "melkfabriekje" (foto hierboven) is een grote kaasmakerij geworden!

 

Slapen op een deurmat

In Harderwijk, op de terugweg, kreeg mijn moeder de èchte griep (influenza). Met hoge koorts ging ze het ziekenhuis in. De kar stond bij een boer, die zou er op letten. Slapen mochten wij (Piet en ik) niet. Hij stuurde ons (twee kinderen) gewoon weg. De eerste dag zwierven Piet en ik wat door Harderwijk. We haalden een paar keer gratis "soep" gekregen bij de California soepfabrieken. 's Nachts liepen we wat rond, konden nergens terecht en belden toen maar aan bij het ziekenhuis, waar mijn moeder lag. Geen plaats. Nog wel te begrijpen ook met die duizenden zieke en verzwakte mensen op hongertocht. Tenslotte mochten we een paar nachten blijven slapen: op de cocosmat, in het portiek van het ziekenhuis. Waren we ongelukkig of bang? Ik geloof het niet. Nee, het was een deel van het leven.

Wij kwamen tenslotte met de aardappelen thuis. En zo hebben we het tot mei '45 weten te redden. We hadden de oorlog overleefd.

 

En dit gebeurt dan 45 jaar later!

Ergens in de jaren negentig kreeg Piet een oude mevrouw in de taxi, die hij toen reed. Hij stelde zich netjes voor. De vrouw zei: "Maar dan ben jij Piet van het Schip en heb jij met je broer in Harderwijk in het portiek van het ziekenhuis geslapen toen jullie moeder bij ons ziek lag."  Het was de verpleegster, die ons de deurmat had gegeven. De vrouw moet een bijzonder geheugen hebben gehad.

 

Afijn, in mei-juni 1945 haalde ik mijn MULO-diploma. Zonder examen te doen, want WO II was net voorbij in die maand. Iedereen kreeg met het oog op de moeilijke periode, die daaraan vooraf was gegaan, zomaar het diploma.

Mazzel, want ik zou gezakt zijn als een baksteen: een twee voor algebra, een drie voor meetkunde, een vier voor boekhouden, een vier voor handelsrekenen enz., Deze cijfers wogen niet op tegen de overtuigende achten en negens voor alle andere vakken. Mazzel. Wat heb ik toch vaak ongelofelijk veel mazzel gehad.

Evert P. van het Schip

 

Ga terug