Hoe ik de meidagen van 1940 beleefde

 

In verband met het feit, dat het 10 mei jongstleden een halve eeuw geleden was, dat ons land door de Duitsers werd overrompeld, lijkt het mij goed mijn herinneringen aan die donkere dagen van de maand mei 1940, voor zover die herinneringen nog in mijn geheugen liggen, weer eens op te halen. Ik was toen 12 jaar oud en woonde met mijn ouders en broer in de toen nog zo geheten Wethouder Molstraat op het adres F 132c.

 

Het is vrijdag 10 mei 1940, ongeveer 4 uur in de vroege morgen. Ik ben wakker en hoor een aanzwellend brommend geluid. Naar later bleek waren eskaders Duitse bommenwerpers (Stuka´s) op weg om parachutisten te droppen en om Nederlandse vliegvelden te bombarderen.
Ik val weer in slaap, doch enkele ogenblikken later komt mijn moeder mijn broer en mij wekken met de mededeling, dat het oorlog is. Ogenblikkelijk staan we op en gaan naar beneden. Het klinkt misschien gek, maar we vonden het erg spannend, omdat er in die tijd nooit iets gebeurde in Dedemsvaart. En nu was het dan zover. De oorlog was uitgebroken en wisten wij als kwajongens veel, wat voor ellende deze oorlog over ons land en volk zou brengen?
Op straat waren al diverse buren druk met elkaar in gesprek gewikkeld. Via de radio werd bekend genaakt, dat grote eenheden van de Duitse weermacht sinds 03.05 uur op diverse plaatsen de grens waren overgetrokken en dat ons land zich vanaf dat moment in staat van oorlog met Duitsland bevond.

 

Sinds de mobilisatie van 31 augustus 1939 was in Dedemsvaart een compagnie
gelegerd van het 19e regiment infanterie, onder commando van de kapitein
A. P. Durand. Deze compagnie was over diverse locaties verdeeld, te weten:
a. Huize ”Paraat”  van de familie Kappers, aan de Moerheinstraat 1, waar de staf van
   de betrokken compagnie was gelegerd;
b. de boerderij van de familie Beute, aan de Langewijk 2;
c. de boerderij van de familie Rooth, aan de Langewijk 110, waar toen de familie
    Arend Bakker woonde. Deze boerderij is thans de kinderboerderij ”Dekibo”.
    In deze boerderij verbleef ik vaak na schooltijd. De zoon van de familie Bakker
    (Wolter Klaas Bakker, reeds gestorven) zat bij zij in de klas en nam mij vaak mee
    naar zijn huis. Alle in deze boerderij gelegen militairen kende ik van naam;
d. de zogenaamde pannenfabriek van de bouwmaterialenhandel van de firma
    H.W. Stegeman, aan de Langewijk 146, nu bouwmaterialenhandel  ”Concordia”;
e. de houtwerf van de firma Balkena te Sluis 6;
f.  Huize ”Vredehoef” aan het Rheezerend 25, te Sluis 6.

 

 

Ik heb de huidige huisnummers vermeld. Destijds waren de plaatselijke aanduidingen anders, omdat de gemeente Avereest als toen was verdeeld in wijken, welke waren geletterd van Wijk A tot en met Wijk K.a
Er kunnen nog wel meer plaatsen zijn geweest in Dedemsvaart, waar enkele groepen militairen waren gelegerd, maar die zijn mij niet bekend.
We zagen de in Dedemsvaart gelegerde militairen zich terugtrekken in Westelijke richting, achter de IJssellinie.
De draaibrug, gelegen aan de noordzijde van de Julianastraat over de Langewijk, alsmede de groene ophaalbrug, gelegen over  de Langewijk-Kalkovenwijk, onder welke bruggen sinds het begin van de mobilisatie een lading dynamiet was aangebracht, waren inmiddels door de vertrekkende soldaten opgeblazen.
De beide bruggen waren totaal vernield. Ook de in de nabijheid van deze bruggen gelegen woonhuizen en winkels waren erg beschadigd, onder anderen:
de kledingzaak van Jaspers, Langewijk 160, nu de bar ”Arizona” (anno 2017 een snackbar) ; het woonhuis met groentekassen, Langewijk 162 van de kweker Ramaker (nu gebroeders van Tolie en anno 2017 een parkeerplaats); het café van de familie van Veen, aan de Julianastraat 116  (nu restaurant ”The green corner” (afgebroken)); de groentezaak van B. de Lange aan de Julianastraat, en de schilderszaak van Arend Drent.

Een voertuig van het leger stopte aan de Langewijk ter hoogte van de boerderij van de familie J. Vogelzang (Langewijk 100). Er sprong een soldaat af, die even later de lont, welke was bevestigd onder de brug Molstraat-Langewijk, aanstak. De lont had een brandtijd van circa 30 seconden, waarna de explosie volgde.

 

De praktisch nieuwe brug, welke pas in april 1938 voor het verkeer was opengesteld, was niet zo erg beschadigd, doch het woonhuis van de brugwachtersfamilie A.F.A. Wibier des te meer.

Onmiddellijk na de explosie renden mijn broer en ik naar de Langewijk, waar we zagen, dat nagenoeg de hele noordgevel van de brugwachterswoning verdwenen was. Alle pannen waren bijna van het dak afgeslagen. terwijl er geen ruit meer heel was. Ook de huizen in de onmiddellijke nabijheid hadden veel glasschade. Ik was nog maar net weer thuis, of een Rode Kruis voertuig van het Nederlandse leger stopte met gierende remmen voor het bejaardentehuis ”Avondlicht”. De hospitaalsoldaten snelden de auto uit en droegen vervolgens op een draagbaar een zwaar gewonde Nederlandse soldaat het gebouw binnen. De ziekenzaal van "Avondlicht” was namelijk als noodhospitaal ingericht. Ik zie nog zo de bloedende jongen met een bleek gezicht en gesloten ogen op die draagbaar liggen. Eén en ander maakte een diepe indruk op mij.
In de- vroege ochtenduren van 10 mei 1940 werd door Koningin Wilhelmina via een proclamatie het navolgende aan het Nederlandse volk bekend gemaakt:

“Mijn volk
Nadat ons land met angstvallige nauwgezetheid als deze maanden een stipte neutraliteit had in acht genomen en terwijl hetgeen ander voornemen had dan deze houding streng en consequent vol te houden, is in den afgeloopen nacht door de Duitse weermacht zonder de minste waarschuwing een plotselinge aanval op ons gebied gedaan. Dit niettegenstaande de plechtige toezegging, dat de neutraliteit van ons land zou worden ontzien zoolang wij haar zelf handhaafden. Ik richt hierbij een  vlammend protest ten deze voorbeeldlooze schending van de goede trouw en aantasting van wat tusschen beschaafde staten behoorlijk is. Ik en mijn regering zullen ook thans onzen plicht doen. Doet gij den uwe, overal en in alle omstandigheden, ieder op de plaats waarop hij is gesteld, met de uiterste waakzaamheid en met die innerlijke rust en overgave, waartoe een rein geweten in staat stelt.

Wilhelmina"

 

Het was inmiddels acht uur geworden. Wij moesten ontbijten, maar ik had geen trek in eten, en ging met een buurjongen het dorp in, richting Julianastraat. Bij de winkel van de Cooperatie "Blijft Trouw” ( Julianastraat 48), stond een Duitse motor met zijspan.
We zagen dat één van de Duitsers met zijn bajonet een broodje doormidden sneed, vervolgens dik besmeerde met Hollandse roomboter en er daarna grote plakken ham op legde. Zelden heb ik iemand zo zien schrokken, alsof de vent in geen dagen gegeten had. Kennelijk was het met de voedselvoorziening in, de “Heimat” bijzonder slecht gesteld.
Dat deed mij op dat moment denken aan het verhaaltje, dat enkele weken eerder in de Dedersvaartsche Courant  in de rubriek ”Krakelingen van Jan Bakker” (de journalist L.E. Mokveld, schrijvende onder het pseudoniem "Dixi") had gestaan. Ik ben er echter niet geheel zeker van, of dit verhaaltje wel past in het kader van dit artikel, doch ik wil het de lezer toch niet onthouden.

Het betrokken verhaal, waarvan ik voor de waarheid uiteraard niet kan instaan, Iuidt ongeveer als volgt:

"De oude Frau Kruse, woonachtig in een klein Duits stadje, komt bij haar kruidenier en vraagt om een half pond roomboter. De winkelier antwoordt, dat hij geen roomboter meer verkoopt. Geef mij dan maar een pakje margarine zegt Frau Kruse. Ook margarine was al lange tijd niet meer voorradig.
Frau Kruse wordt kwaad en bijt de winkelier toe, dat sinds Adolf Hitler aan de macht is, het steeds slechter met Duitsland gaat en woedend verlaat zij de winkel.
Frau Kruse is nog maar net thuis, of ze krijgt bericht, dat zij zich moet melden op het bureau van de S.D. (Sicherheits Dienst) ter plaatse.
Daar aangekomen, wordt ze door de dienstdoende officier vreselijk uitgekafferd wegens belediging van de ”Führer aller Germanen”. Ze moet zich voor straf gedurende een hele week elke morgen om 8 uur melden op het bureau en dan zeggen: ”Sinds  Adolf Hitler aan de macht is gaat alles veel beter in Duitsland”.
Frau Kruse gehoorzaamt en komt iedere ochtend om 8 uur braaf haar verhaaltje opzeggen. Op de laatste morgen echter heeft ze haar beste jurk aangetrokken. De dienstdoende officier vraagt haar waarom ze zo chique is gekleed. Ach, zegt Frau Kruse, ik wou straks even naar de kerk gaan. Naar de kerk?  Wat moet jij nu in de kerk?

Ik wil biechten zegt Frau Kruse. Biechten? En waarom dan wel? Ik wil biechten, omdat ik in mijn hele leven nog nooit zoveel gelogen heb als in de afgelopen week ”.

 

Maar goed, laat ik niet afdwalen van mijn chapiter en mij verder beperken tot de feiten. We vervolgden onze tocht door Dedemsvaart en komen om ongeveer 10 uur bij de brug, gelegen over de Hoofdvaart, nabij de ”Victoria”-  kruidenierswinkel van de familie Kats, Moerheimstraat 61 nu, waar een grote mensenmenigte was samen gekomen.
Vanaf de Van Royens Hoofdwijk kwam namelijk een gigantische colonne Duitsers aan, hoofdzakelijk bestaande uit cavaleristen. Een groot aantal van deze Duitsers was gekleed in het uniform van het Nederlandse leger.

Naast ons in de Wethouder Molstraat woonde de familie Gerrit Lubbers, die een expeditiebedrijf runde. Op de avond van donderdag 9 mei 1940 stond een vrachtwagen van dit bedrijf, volgeladen met groente voor de deur van de familie Lubbers, welke vrachtwagen met groente die volgende morgen naar de veiling in Zwolle moest worden gereden.
Omdat het Nederlandse leger praktisch alle bruggen van Dedemsvaart naar Zwolle had laten springen, was er geen vervoer mogelijk. Het gevolg was, dat de gehele inhoud van de vrachtwagen op een naast de woning van de familie Lubbers gelegen weiland werd gestort, waarna de gehele buurt zich over de groente ontfermde. Ik kan mij nog herinneren, dat wij thuis dagenlang sla hebben gegeten.
In de loop van de middag gingen we per fiets naar Balkbrug.

In het Katingerveld, tussen de Pol en Balkbrug, reed een bediende van bakkerij Hulleman uit Balkbrug met een bakfiets vol brood. We zagen, dat deze bakkersknecht werd aangehouden en dat de Duitsers in een mum van tijd de gehele voorraad brood meenamen. Teruggekomen in Dedemsvaart zag ik, dat bijna alle ramen van de huizen in het dorp met langwerpige stroken wit papier werden beplakt. Waarom dit destijds gebeurde is mij nooit geheel duidelijk geworden. Was men soms bang, dat bij eventuele explosie het glas van de ruiten in de kamer zou komen of dacht men, dat door het plakken van stroken papier de ruiten een explosie wel zouden kunnen doorstaan? Ik weet het niet!

Mijn vader was destijds als grafisch medewerker (zetter) in dienst van de firma G.J. Gelderman, de uitgeefster van de ”Dedemsvaartsche Courant”.  Op de avond van donderdag 9 mei was de krant nagenoeg gereed om "ter perse te gaan". Op de voorpagina was nog een ruimte open gelaten voor eventueel nagekomen berichten. Deze ruimte werd toen benut voor het plaatsen van het volgende bericht:

"Aan de lezers. Toen de Vrijdagmorgen ons blad nagenoeg voor het afdrukken gereed was, bereikte ons het ontstellende bericht, dat Duitsche troepen zoowel de Nederlandsche als de Belgische en de Luxemburgse  grens hadden overschreden en dat tengevolge daarvan Nederland, België en Luxemburg in staat van oorlog met Duitschland waren komen te verkeeren.
Tengevolge van de door de Nederlandsche legerleiding genomen afweermaatregelen werden zowel de plaatselijke verbindingen als die met de naaste omgeving en het overige deel van om land verbroken, terwijl reeds vroeg in den morgen de electrische stroom werd uitgeschakeld, zoodat ons bedrijf geheel moest worden stil gelegd.
Dit nummer wordt nu Zaterdagmorgen afgedrukt en wij zullen trachten om - zoover de omstandigheden zulks toelaten - zooveel mogelijk onze lezers te bereiken. Het volgende nummer zal, zoo de omstandigheden zulks toelaten, in de loop der volgende week verschijnen".

Op bevel van de in het voorjaar van 1939 opgerichte Luchtwachtpost Dedemsvaart, die een uitkijk- en meldingspost had op het dak van de Tuinstraatschool en van welke Luchtwachtpost de heer Jan Doedens, destijds directeur van de C.A.V.D. commandant was, moesten op de avond van 10 mei 1940 alle huizen worden verduisterd. Er mocht geen streepje licht zichtbaar zijn, want dat zou direct gevaar kunnen opleveren.
De boekhandelaren in Dedemsvaart deden goede zaken, niet alleen door de verkoop van de zo even gemelde stroken papier, doch bovenal door de verkoop van het zogenaamde verduisteringspapier.

Op deze turbulente dag, waarin plotseling zo heel veel gebeurde, gingen mijn gedachten in het bijzonder uit naar onze buurman ”meester Jansen".

 

De heer A.J. Jansen was als onderwijzer verbonden aan de openbare lagere school in Wijk F, de inmiddels afgebroken school nabij het tramstation. Sinds het begin van de mobilisatie was de heer Jansen als onderofficier gelegerd in één van de locaties van de Peellinie in Noord-Brabant.
Mevrouw Jansen en haar zoontje ontvingen van de buurtbewoners op deze dag uit piëteitsoverwegingen veel bewijzen van aanhankelijkheid en sympathie.

Op zaterdag 11 mei reden nog steeds grote colonnes Duitse voertuigen over de Hoofdvaart in westelijke richting. Zondag 12 mei 1940 was het Pinksteren. Ook op deze dag trokken grote afdelingen van de Duitse weermacht in de richting Zwolle.
Om ongeveer 11. 30 uur in de morgen van zondag 12 mei hield een colonne Duitse cavalerie halt aan de Hoofdvaart.
In de gang tussen het hotel Steenbergen, dat toen werd geëxploiteerd door de familie Dalloyaux en de kunstmestzaak van Spijkman, welke panden nu zijn samengetrokken tot een geheel van de firma Varwijk Woninginrichting, werden de veldkeukens gereed gemaakt, terwijl de paarden voor een rustpauze werden ondergebracht in de kunstmestloods.

Dit oponthoud duurde tot ongeveer 14.00 uur, waarna de hele colonne zich weer in beweging zette.
Maandag 13 mei hoorden we via de radio van de dappere strijd, die het Nederlandse leger, dat slechts uit 300.000 manschappen bestond, sinds vrijdag 10 mei voerde tegen de gigantische Duitse Overmacht. Vooral de strijd op de Grebbeberg bij Rhenen, de hevige gevechten bij Kornwerderzand bij de Afsluitdijk, de strijd in de Peel en vooral niet te vergeten de heroïsche strijd van de Mariniers bij de Maasbruggen in Rotterdam, maakten veel indruk. Voor deze Mariniers waren de Duitsers erg bang. Ze noemden hen "De Zwarte Duivels".

Op dinsdag 14 mei 1940, even na het middaguur, werd het centrun van Rotterdam door een eskader Duitse bommenwerpers volledig in de as gelegd, waarbij circa 800 doden vielen.
De Duitsers wilden de capitulatie van het Nederlandse leger forceren en hadden gedreigd dat de steden Amsterdam, Den Haag en Utrecht een zelfde lot zou treffen, indien er niet gecapituleerd werd.
Op dinsdag 14 mei 1940 tegen 19.00 uur hield generaal H.G. Winkelman, opperbevelhebber van land- en zeemacht, een radiotoespraak, waarin hij de overgave van de Nederlandse strijdkrachten bekend maakte. Op dat moment was één van onze buren bezig zijn tuintje te spitten. Toen hij hoorde, dat Nederland zich had overgegeven gooide hij zijn schop ver van zich af onder de uitroep "waar werk ik nu nog langer voor".

Als 12-jarige maakte dat op mij nogal indruk. Enige tijd na de capitulatie werd bekend, dat onder de circa 3000 gesneuvelde Nederlandse militairen, zich ook een aantal Avereester mannen bevond.

Hun namen zijn:
1. Hermannus Gerhardus Jozephus Winkelman uit Dedemsvaart, geboren op 24 maart 1920 en gesneuveld te Rhenen op 10 mei 1940;
2. Arie van Staalduinen uit Dedemsvaart, gesneuveld te Delft,
    op 11 mei 1940, 27 jaar oud;
3. Arend Poepe, uit Balkbrug, geboren op 17 juni 1916, overleden in het
    Academisch Ziekenhuis te Leiden op 11 mei 1940;
4. Arend Schippers uit Dedemsvaart, geboren op 29 september 1908 en
    gesneuveld te Dordrecht, op 11 mei 1940;
5. Dirk van der Graaf uit Dedemsvaart, gesneuveld te Rhenen,
    op 11 mei 1940, 22 jaar oud;
6. Roelof Mulder uit Balkbrug.

Wij gedenken deze namen, die hun leven gaven voor het vaderland, met eerbied!

In het nummer van dinsdag 28 mei 1940 van de ”Dedensvaartsche Courant” stond onder meer het navolgende bericht:

Voor het Vaderland.
Helaas blijkt het aantal dergenen uit plaats en omgeving, die in dienst van het vaderland het leven hebben gelaten, grooter dan aanvankelijk werd verhoopt.
Gelet op de luttele dagen, welke de strijd heeft geduurd, heeft onze streek een niet gering aandeel gehad in het bloedige offer onzer landszonen voor de nationale eer.

Voor de namen, welke geleidelijk bekend worden, verwijzen we naar de berichten van onze correspondenten.
Allen gevallen brengen we het saluut der oprechte vaderlanders en dezer dank. Hun voorbeeld van moed en offerzin moge worden beloond met de hergeboorte, eens,  van een vrij en onafhankelijk Nederland, waarin hun nagedachtenis als een eeuwige dankbaarheidsplicht zal worden onderhouden.
Een woord van hartelijke deelneming zij hier nog gewijd aan de zwaarbeproefde families der gevallenen. Wat zij verloren hebben in het dierbaarste, wat ze bezaten, kan hun nimmer worden vergoed, maar de gedachte, dat hun dierbaren met het offer van hun leven ons aller eer hebben beschermd en met hun bloed de basis van het recht legden,  waarop de Nederlandsche natie zal worden herbouwd, sterke hen in hun smart.
God , de groote Vertrooster, schenke aan deze families zijn rijke genade, dit is kracht naar kruis.
Voor wat onze gemeente betreft, kwam in de laatste dagen bericht in, dat ook Herman Winkelman, zoon van den heer Winkelman aan Sluis 6 en Arend Poepe te Balkbrug gesneuveld zijn.
Omtrent de militairen van Staalduinen te Dedemsvaart en Mulder te Balkbrug, was reeds eerder zoodanig bericht ontvangen. Mogen zij allen rusten in den Vrede des Heeren”.

Met de capitulatie ging Nederland één van de donkerste perioden in haar geschiedenis tegemoet en zou het vijf jaar duren eer het zonlicht van de bevrijding zou doorbreken.

 

Dedemsvaart, mei 1990
Peter Makaske

 

Ga terug