HET LUCHTGEVECHT


Op 13 november 1943 tegen de middag, zoals we dat toen noemden, kwam uit zuidoostelijke richting een Amerikaanse bommenwerper betrekkelijk laag aangevlogen. Er stonden verschillende mensen bij de brug van Balkbrug; onder hen waren ook jongeren. Het bekende gebrom van de motoren was niet te horen; vermoedelijk waren drie motoren uitgevallen en vloog het toestel nog op één motor. Iedereen zei: ”Die haalt Engeland nooit meer” en zo verdween het in noord-westelijke richting, naar onze mening steeds meer hoogte verliezend. Een jachtvliegtuig (een jagertien) bleef steeds in de buurt van het grote vliegtuig. ”Kijk” zeiden we tegen elkaar ”Die Spitfire past op dat Vliegend Fort”. Als jongens van een jaar of tien, elf noemden we elke jager een Spitfire en elke bommenwerper een Vliegend Fort. Dit laatste, omdat de Duitsers op aanplakbiljetten afbeeldingen van brandende bommenwerpers verspreidden met daaronder de tekst ”Vliegende Forten, Vliegende Doodkisten”. Voor ons jongens was het natuurlijk een sport om deze Duitse propaganda zo snel mogelijk van de bomen en de muren te scheuren. Opeens zagen we de Engelse jager met een grote bocht terugkomen en steeds hoger probeerde te vliegen. Even later verschenen er drie Duitse jagers (betrekkelijk laagvliegend) uit  zuidelijke richting. Het was maar even, of daar kwam de Spitfire met donderend geweld naar omlaag. De drie Duitse vliegtuigen gingen als een waaier uit elkaar en het vliegtuig, dat richting Zuidwolde vloog, werd als doelwit gekozen door de Engelse jager. Binnen de kortste tijd had hij de Duitse jager in brand geschoten en deze stortte brandend neer. De Messerschmitt, die richting Dalfsen vloog, heeft op zijn vlucht misschien iets te veel van zijn motor gevergd want, uit de machine kwamen zwarte rookwolken en hij heeft dan ook een noodlanding wegens motorstoring bij Dalfsen moeten maken. De derde is richting Hardenberg gevlucht; daar is verder niets van bekend. Onder de jongens die dit alles gezien hebben waren o.a. Jaap Haar, Alex Wassens en ondergetekende. Toen het vliegtuig brandend naar beneden stortte, waren we het er direct over eens: ”daar gaan we naar toe”.  Vooral om het plexiglas van de cockpit. Als je daar een stuk van kon bemachtigen was je koopman . Meteen zijn we op de fiets gesprongen en reden er zo hard mogelijk naar toe, richting Zuidwolde. De zwarte rookpluim wees ons de weg. Even voorbij boerderij ”De Stenen Pijp” zagen we het brandende vliegtuig liggen, links van de weg en een paar honderd meter het land in.

 

Boerderij "De Stenen Pijp".

 

We waren er ongeveer 10 minuten na de crash. Er liepen al aardig wat mensen rond, maar nog geen politie of Wehrmacht. We konden dus vrij rondscharrelen. Ik geloof dat het plexiglas niet veel geworden is, maar één ding is mij nog goed bijgebleven: Een eindje van het vliegtuig verwijderd zagen we de piloot liggen! Hij was gedeeltelijk verbrand en lag daar als het ware in een zithouding met de benen wat opgetrokken, half op zijn rechterzij en met de stuurknuppel in zijn beide handen. Hij vertoonde zo nu en dan nog wat stuiptrekkingen. ”Het liekt wel of ie nog niet dood is”, dacht Jaap hardop. ”Maar wat wi’j ook met zo’n half stuurtien, doar ku’j toch nooit met stuur’n”. Wij dachten dat het stuur, net als bij een auto, rond moest zijn. Dit klinkt natuurlijk erg luguber, maar als kind in de oorlog raakte je gauw aan dode mensen gewend, vooral als het Duitsers waren, onze bezetters. Daar had je geen meelij mee. Bij een beschieting op de Hoogeveenseweg ter hoogte van de tegenwoordige sporthal kwamen acht of negen Duitsers om. Als kinderen waren we overal direct bij en probeerden alles te pakken wat er te pakken viel. Dat werd geen stelen, maar organiseren genoemd. Zelfs werd er wel geprobeerd een dode Duitser van zijn laarzen te ontdoen. We dwalen nu wel erg ver af. Ik wil graag met u terug naar de Engelse jager. Het was toch maar een knap staaltje om de Duitse jagers niet bij de aangeschoten bommenwerper te laten komen en ze op de vlucht te jagen of uit te schakelen. Wat er met de bommenwerper gebeurd is weet ik niet, maar er zijn gelukkig mensen genoeg die zich het lot van de verongelukte geallieerde machines en hun bemanning hebben aangetrokken en ook van de Duitse vliegtuigen en hun mensen. Deze Duitsers hadden tenslotte ook een vader en een moeder, hoewel wij in de oorlog daar heel anders over dachten. Dit luchtgevecht heb ik opgeschreven, zoals ik mij dat nog herinner. Het is ruim 60 jaar geleden gebeurd en er zullen zeker mensen zijn, die het anders beleefd hebben. Want de tijd heelt niet alleen, maar vergroot ook. Toch denk ik dat het aardig waarheidsgetrouw is. Willem Gruppen uit Hoogeveen is als kind opgegroeid in Zuidwolde en hij is één van die mensen die veel onderzoek hebben gedaan naar verongelukte vliegtuigen. Hier volgt zijn verhaal:

De crash van de Messerschmitt in Sjoert
Uit eigen waarneming wist ik, dat vlakbij Nolde op zekere dag in de oorlog een vliegtuig was neergestort. Met mijn kameraden ging ik daarheen om te kijken. Na een tijdsverloop van ongeveer vijftig jaar was het mij onmogelijk de datum van het voorval en de exacte plaats aan te duiden.
Het vliegtuigwrak was destijds vanaf de Ommerweg zichtbaar, terwijl het nog nabrandde. Wij mochten er uiteraard niet bij komen.
Bij één van mijn vraaggesprekken met inwoners van Zuidwolde bracht ik dit ter sprake bij Jan Andringa, die toentertijd ook al op Nolde woonde. Deze was absoluut zeker: ”Wij (mijn latere zwager Willy Rumpf en ik) waren aan het knollenplukken. Boven ons hoorden we vliegtuigen heftig tekeergaan, waarbij ook werd geschoten. Uit voorzorg gingen we plat op de grond liggen. Even later kwam er een brandend vliegtuig gierend over ons heen, dat op 400 à 500 meter afstand van ons neerstortte. Dat gebeurde op het land van Freerk Klein (later Hilbert Klooster) op Sjoert, achter de Linderdennen.
Nadien bleek dat het een Duitse jager van het type Messerschmitt was, waar één piloot in zat. Ik weet dat pertinent zeker, want ik was nadien bij het kisten van de piloot aanwezig. Om welke reden dan ook moest ik helpen bij het dragen van de doodskist van het vliegtuigwrak naar onze boerderij. De Duitse bewakers van het wrak waren namelijk bij ons ingekwartierd. Ook hebben ze de restanten van het vliegtuig opgeruimd en afgevoerd.”

Belangrijke aanwijzingen
Voor mijn onderzoek waren het belangrijke aanwijzingen: De absolute zekerheid van een vliegtuigcrash, de plaats daarvan en de nationaliteit van het neergestorte vliegtuig. Verder was het zo, dat de voederknollen voor het vee in oktober, november en december werden geplukt, waarin de tijdsaanwijzing van het voorval zat opgesloten.
De volgende stap was de vondst van een proces-verbaal, dat een uitstekende aansluiting en bevestiging was van het verhaal van mijn informant. Het vermeldde, dat op 13 november 1943 te Linde, op een perceel bouwland, overblijfselen van een vliegtuig werden aangetroffen, die nog brandden. De overblijfselen bleken afkomstig te zijn van een Messerschmitt jachttoestel, model 109. Het vliegtuig was na een luchtgevecht te 12.15 uur neergestort. Aangezien door niemand was waargenomen, dat na het afschieten van bedoeld vliegtuig de bestuurder daarvan was afgesprongen, kon worden aangenomen, dat deze met het toestel was verbrand. In verband met het reeds volledig verbrand zijn van alle belangrijke delen van het vliegtuig, alsmede het gevaar, veroorzaakt door het ontploffen van de in het toestel nog aanwezige munitie, kon omtrent de bestuurder geen volledige bevestiging van deze mening worden verkregen. De Geneeskundige Dienst van de Luchtbeschermingsdienst uit het dorp Dedemsvaart verscheen om plm. 13.00 uur, maar kon onverrichter zake weer vertrekken. De bewaking van de resten van het vliegtuig werd overgenomen door personeel van het Luftwaffenkommando van de Wehrmacht, dat in Dedemsvaart was gelegerd. Tot zover het politierapport.

Bij het verdere onderzoek kon ik het volgende achterhalen: Op 13 november 1943 was er een raid van 272 zware Amerikaanse bommenwerpers op Bremen. Zestien (bijna zes procent) van deze bommenwerpers zouden op deze zaterdag niet op hun basis terugkeren.
Duidelijk voerden op de heen- en de terugreis Duitse jagers aanvallen uit op de bommenwerpers, waarbij luchtgevechten met de escorterende geallieerde jagers ontstonden. In dit geval dolf de Duitse jager het onderspit. Het was een ”dagjager” en wel de Messerschmitt Bf 109 ”gelbe 3” (Werknummer 15344) van de op de Fliegerhorst Jever, Ost-Friesland gestationeerde zesde Staffel van het elfde Jachteskader (6 JG11), die tussen 12.00 en 13.00 uur in het zuiden van onze gemeente tegen de aarde sloeg. De piloot, Feldwebel Günther Range, kwam tengevolge van verbrijzeling van de schedel en ernstige brandwonden om het leven.

Herbegraven
Na de oorlog zijn de in Nederland gesneuvelde Duitse militairen herbegraven op de Duitse Militaire Begraafplaats te IJsselsteijn in Noord-Limburg. Van de beheerder van deze begraafplaats wisten wij het volgende boven water te krijgen: Feldwebel Günther Range werd geboren op 11 mei 1920 te Lübeck in Duitsland; hij overleed 13 november 1943. Zijn stoffelijk overschot werd aanvankelijk begraven te Leeuwarden, waar de Luftwaffe één van de vele vliegvelden in ons land had. De herbegraving in IJsselsteijn vond plaats op 23 oktober 1958. De ligging van het graf is AR-3-66.


Willem Gruppen

Willem, bedankt voor dit verhaal.
Ook de heer Sievers, van de Historische Kring Dalfsen, bedankt voor de inlichtingen alsmede de heer Manrho uit Hardenberg voor het spontaan in de computer duiken en het vinden van terzake doend materiaal. Hartelijk bedankt.

P.S.
Het vliegtuigglas gebruikten wij om er ringen en armbanden van te maken. Met een figuurzaag zaagden we ringen uit het glas, met aan de bovenkant een verhoogd vierkant. Nadat alles mooi gevijld en geslepen was werden er aan de bovenzijde drie kleine gaatjes ingeboord en achtereenvolgens gevuld met rode, witte en blauwe verf, zodat je trots de kleuren van de Nederlandse vlag kon laten zien.


Jan Nijensikkens

 

Ga terug