DE VIJF DONKERE JAREN

 

Een waarheidsgetrouw, historisch overzicht in vogelvlucht van de belangrijkste gebeurtenissen tijdens de periode 1940 ‑ 1945 in de voormalige gemeente Avereest, samengesteld door Peter Makaske.

 

Deel I

 

DE OORLOG

 

Het is vrijdag 10 mei 1940, ongeveer vier uur in de morgen.

Ik ben wakker en hoor een aanzwellend brommend geluid. Naar later bleek waren eskaders Duitse bommenwerpers (Stuka's) op weg om parachutisten te droppen en om Nederlandse vliegvelden te bombarderen.

Ik val weer in slaap, doch enkele ogenblikken later komt mijn moeder mijn broer en mij wekken met de mededeling, dat het oorlog is.

Ogenblikkelijk staan we op en gaan naar beneden. Het klinkt misschien gek, maar we vonden het erg spannend, omdat er in die tijd nooit iets gebeurde in Dedemsvaart. En nu was het dan zover. De oorlog was uitgebroken.

Wisten wij als kwajongens veel, wat voor ellende deze oorlog over ons land en volk zou brengen?

 

Op straat waren buurtgenoten al druk met elkaar in gesprek gewikkeld. Via de radio werd bekend gemaakt, dat grote eenheden van de Duitse weermacht sinds 03.05 uur op diverse plaatsen de grens waren overgetrokken en dat ons land zich vanaf dat moment in staat van oorlog met Duitsland bevond.

Sinds de mobilisatie van 31 augustus 1939 was in Dedemsvaart een compagnie gelegerd van het 19e regiment infanterie, onder commando van de kapitein A. P. Durand. Hij was erg geliefd bij zijn manschappen, die hem onderling betitelden als "Appie".

Deze compagnie was over diverse locaties verdeeld, te weten:

a. Huize "Paraat" van de familie Kappers, aan de Moerheimstraat 1, waar de staf van de betrokken compagnie was gelegerd;

b. De boerderij van de familie Beute, aan de Langewijk 2;

c. De boerderij van de familie Rooth, aan de Langewijk 116, waar toen de familie Arend Bakker woonde. Deze boerderij is thans de kinderboerderij "Dekibo". In deze boerderij verbleef ik vaak na schooltijd. De zoon van de familie Bakker (Wolter Klaas Bakker, reeds gestorven) zat bij mij in de klas en nam mij vaak mee naar zijn huis. Alle in deze boerderij gelegen militairen kende ik van naam;

d. De zogenaamde pannenfabriek van de bouwmaterialenhandel van de firma H.W. Stegeman, aan de Langewijk 146, nu bouwmaterialenhandel "Concordia".

e. De houtwerf van de firma Balkema te Sluis 6;

f. Huize "Vredehoef" aan het Rheezerend 25 te Sluis 6.

 


Villa Vredehoef aan het Rheezerend te Dedemsvaart-Sluis 6. In deze villa lag gedurende de mobilisatie tot de dag dat de oorlog uitbrak (31 augustus 1939-10 mei 1940) een peloton van het 19e Regiment Infanterie.   

 

Ik heb de huidige huisnummers vermeld. Destijds waren de plaatselijke aanduidingen anders, omdat de gemeente Avereest toen was verdeeld in wijken, welke waren geletterd van Wijk A (Sluis 7) tot en met Wijk K (Oud Avereest). Er zullen nog wel meer plaatsen zijn geweest in Dedemsvaart, waar enkele groepen militairen waren gelegerd, maar die zijn mij niet bekend. We zagen de in Dedemsvaart gelegerde militairen zich terugtrekken in westelijke richting, achter de IJssellinie.

 

Bruggen opgeblazen

De draaibrug, gelegen aan de noordzijde van de Julianastraat over de Langewijk, alsmede de groene ophaalbrug, gelegen over de Langewijk-Kalkovenwijk, onder welke bruggen sinds het begin van de mobilisatie een lading dynamiet was aangebracht, waren inmiddels door de vertrekkende soldaten opgeblazen. De beide bruggen waren totaal vernield. Ook de in de nabijheid van deze bruggen gelegen woonhuizen en winkels waren erg beschadigd, onder anderen:

- De kledingzaak van Jaspers, Langewijk 160, nu de niet meer geëxploiteerde bar "Arizona";

- Het woonhuis met groentekassen, Langewijk 162 van de kweker Ramaker (nu Wim van Tolie);

- Het café van de familie van Veen aan de Julianastraat 116, nu restaurant "De Giegel";

- De groentezaak van Bernard de Lange aan de Julianastraat 112 (nu een café)  en de schilderszaak van Arend Drent, Julianastraat 101.

 


De groene ophaalbrug over de Langewijk-Kalkovenwijk en het winkel-woonhuis van de familie Jaspers. Verder is op deze foto zichtbaar de draaibrug Julianastraat-Langewjk met het café van de familie van Veen. Dit café werd op 10 mei 1940 ernstig beschadigd.

 

Een legervoertuig leger stopte aan de Langewijk ter hoogte van de boerderij van de familie J. Vogelzang (Langewijk 100). Er sprong een soldaat af, die even later de lont, welke was bevestigd onder de brug Molstraat‑Langewijk, aanstak. De lont had een brandtijd van circa 30 seconden, waarna de explosie volgde.

De praktisch nieuwe brug, welke pas op 23 april 1938 voor het verkeer was opengesteld, was niet zo erg beschadigd, doch het woonhuis van de brugwachtersfamilie A. F. A. Wibier des te meer.

 

Onmiddellijk na de explosie renden mijn broer en ik naar de Langewijk, waar we zagen, dat nagenoeg de hele noordgevel van de brugwachterswoning verdwenen was. Bijna alle pannen waren van het dak geslagen, terwijl er geen ruit meer heel was. Ook de huizen in de onmiddellijke nabijheid hadden veel glasschade.

 


Het winkel-woonhuis (hoeden- en pettenmagazijn) van de familie Jaspers aan de Langewijk, ten noorden van de Julianastraat. Links op de foto de inmiddels verdwenen smederij en het woonhuis van Gerrit van Wilpe ( Langewijk 156-158).

 

Ik was nog maar net weer thuis, of een Rode Kruis voertuig van het Nederlandse leger stopte met gierende remmen voor het bejaardentehuis "Avondlicht". Twee hospitaalsoldaten snelden de auto uit en droegen vervolgens op een draagbaar een zwaar gewonde Nederlandse soldaat het gebouw binnen. De ziekenzaal van "Avondlicht" was namelijk als noodhospitaal ingericht.

Ik zie nog zo de bloedende jongen met een bleek gezicht en gesloten ogen op die draagbaar liggen. Eén en ander maakte een diepe indruk op mij.

De brug over de Langeijk aan de noordzijde van de Molstraat. Deze brug werd op 23 april 1938 op officiële wijze voor het verkeer opgesteld. De brugwachters, geheel links op de foto en toen bewoond door de familie A.F.A. Wibier, werd zwaar beschadigd bij het opblazen van de brug.

 

Proclamatie

In de vroege ochtenduren van 10 mei 1940 werd door Koningin Wilhelmina via een proclamatie het navolgende aan het Nederlandse volk bekend gemaakt:

 

"Mijn Volk,

 

Nadat ons land met angstvallige nauwgezetheid al deze maanden een stipte neutraliteit in acht had genomen en terwijl hetgeen ander voornemen had dan deze houding streng en consequent vol te houden, is in den afgeloopen nacht door de Duitsche weermacht zonder de minste waarschuwing een plotselinge aanval op ons gebied gedaan. Dit niettegenstaande de plechtige toezegging, dat de neutraliteit van ons land zou worden ontzien zoolang wij haar zelf handhaafden.

Ik richt hierbij een vlammend protest ten deze voorbeeldelooze schending van de goede trouw en aantasting van wat tusschen beschaafde staten behoorlijk is. Ik en mijn regering zullen ook thans onzen plicht doen. Doet gij den uwe, overal en in alle omstandigheden, ieder op de plaats waarop hij is gesteld, met de uiterste waakzaamheid en met die innerlijke rust en overgave, waartoe een rein geweten in staat stelt".

Wilhelmina


Naar de Julianastraat

Het was inmiddels acht uur geworden. Wij moesten ontbijten, maar ik had geen trek in eten en ging met een buurjongen het dorp in, richting Julianastraat. Bij de winkel van de Coöperatie "Blijft Trouw" (nu de winkel van slager H. Beukeveld, Julianastraat 48), stond een Duitse motor met zijspan.

We zagen dat één van de Duitsers met zijn bajonet een broodje doormidden sneed, vervolgens dik besmeerde met Hollandse roomboter en er daarna grote plakken ham op legde. Zelden heb ik iemand zo zien schrokken, alsof hij in geen dagen gegeten had. Kennelijk was het met de voedselvoorziening in de "Heimat" bijzonder slecht gesteld.

 

Het derde pand vanaf rechts gezien is de winkel van de Coöperatie "Blijft Trouw, aan de Julianastraat 48 te Dedemsvaart. Op de morgen van vrijdag 10 mei 1940 deed een tweetal Duitse soldaten zich hier te goed aan een heerlijk Hollands ontbijt.

 

Dat deed mij op dat moment denken aan het verhaaltje, dat enkele weken eerder in de "Dedemsvaartsche Courant" in de rubriek "Krakelingen" van Jan de Bakker (de journalist L.E. Mokveld, schrijvende onder het pseudoniem "Dixie", hetgeen betekend: "ik heb gezegd" had gestaan. Ik ben er echter niet geheel zeker van, of dit verhaaltje wel past in het kader van dit historisch overzicht, doch ik wil het de lezer toch niet onthouden.

Het betrokken verhaal, waarvan ik voor de waarheid uiteraard niet kan instaan, luidt ongeveer als volgt:

 

"De oude Frau Kruse, woonachtig in een klein Duits stadje, komt bij haar kruidenier en vraagt om een half pond roomboter.

De winkelier antwoordt, dat hij geen roomboter meer verkoopt. "Geef mij dan maar een pakje margarine", zegt Frau Kruse. Ook margarine was al lange tijd niet meer voorradig. Frau Kruse wordt kwaad en bijt de winkelier toe, dat sinds Adolf Hitler aan de

macht is, het steeds slechter met Duitsland gaat en woedend verlaat zij de winkel.

Frau Kruse is nog maar net thuis of ze krijgt bericht, dat zij zich moet melden op het bureau van de S.D. (Sicherheitsdienst) ter plaatse. Daar aangekomen wordt ze door de dienstdoende officier vreselijk uitgekafferd wegens belediging van de "Führer aller Germanen" en moet ze zich als straf gedurende een hele week elke morgen om acht uur melden op het bureau en dan zeggen: "Sinds Adolf Hitler aan de macht is gaat alles veel beter in Duitsland". Frau Kruse gehoorzaamt en komt iedere ochtend om acht uur braaf haar verhaaltje opzeggen.

Op de laatste morgen echter heeft ze haar beste jurk aangetrokken. De dienst-doende officier vraagt haar waarom ze zo chique is gekleed. "Ach", zegt Frau Kruse, "ik wou straks even naar de kerk gaan." "Naar de kerk? Wat moet jij nu in de kerk?" "Ik wil biechten", zegt Frau Kruse. "Biechten? En waarom dan wel"?  "Ik wil biechten, omdat ik in mijn hele leven nog nooit zoveel gelogen heb als in de afgelopen week."

 

Maar goed, laat ik niet afdwalen van mijn chapiter en mij verder beperken tot de feiten. We vervolgden onze tocht door Dedemsvaart en kwamen om ongeveer tien uur bij de brug, gelegen over de Hoofdvaart, nabij de inmiddels verdwenen "Victoria"- kruidenierswinkel van de familie Kats, nu Moerheimstraat 61, waar een grote mensenmenigte was samen gekomen.

Vanaf de Van Royens Hoofdwijk kwam namelijk een gigantische colonne Duitsers, hoofdzakelijk bestaande uit cavaleristen.

 


De Victoria-winkel van de familie Kats aan de Moerheimstraat te Dedemsvaart.
 
Naar Balkbrug

Naast ons in de Wethouder Molstraat woonde de familie Gerrit Lubbers, die een expeditiebedrijf runde. Op de avond van donderdag 9 mei 1940 stond een vrachtwagen van dit bedrijf volgeladen met groente voor de deur van de familie Lubbers, die de volgende morgen naar de veiling in Zwolle moest worden gereden.

Omdat het Nederlandse leger praktisch alle bruggen van Dedemsvaart naar Zwolle had laten springen, was er geen vervoer mogelijk. Het gevolg was, dat de gehele inhoud van de vrachtwagen op een naast de woning van de familie Lubbers gelegen weiland werd gestort, waarna de gehele buurt zich over de groente ontfermde. Ik kan mij nog herinneren, dat wij thuis dagenlang sla hebben gegeten. In de loop van de middag gingen we per fiets naar Balkbrug.

In het Katingerveld, tussen de Pol en Balkbrug, reed een bediende van bakkerij Hulleman uit Balkbrug op een bakfiets vol brood. We zagen dat deze bakkersknecht werd aangehouden en dat de Duitsers in een mum van tijd de gehele voorraad brood meenamen.

Teruggekomen in Dedemsvaart zag ik, dat bijna alle ramen van de huizen in het dorp met langwerpige stroken wit papier werden beplakt. Waarom dit destijds gebeurde is mij nooit geheel duidelijk geworden.

Was men soms bang, dat bij eventuele explosie het glas van de ruiten in de kamer zou komen of dacht men, dat door het plakken van stroken papier de ruiten een explosie wel zouden kunnen doorstaan? Ik weet het niet!

 

Nagekomen bericht

Mijn vader was destijds als grafisch medewerker (zetter) in dienst van de firma G.J. Gelderman, de uitgeefster van de "Dedemsvaartsche Courant". Op de avond van donderdag 9 mei was de krant nagenoeg gereed om "ter perse te laten gaan". Op de voorpagina was nog een ruimte open gelaten voor eventueel nagekomen berichten. Deze ruimte werd toen benut voor het plaatsen van het volgende bericht:

"Aan de lezers.

Toen vrijdagmorgen ons blad nagenoeg voor het afdrukken gereed was, bereikte ons het ontstellende bericht, dat Duitsche troepen zoowel de Nederlandsche, als de Belgische en de Luxemburgsche grens hadden overschreden en dat tengevolge daarvan Nederland, België en Luxemburg in staat van oorlog met Duitschland waren komen te verkeeren.

Tengevolge van de door de Nederlandsche legerleiding genomen afweermaatregelen werden zoowel de plaatselijke verbindingen als die met de naaste omgeving en het overige deel van ons land verbroken, terwijl reeds vroeg in den morgen de electrische stroom werd uitgeschakeld, zoodat ons bedrijf geheel moest worden stil gelegd.

Dit nummer wordt nu zaterdagmorgen afgedrukt en wij zullen trachten om (zoover de omstandigheden zulks toelaten) zooveel mogelijk onze lezers te bereiken. Het volgend nummer zal, zoo de omstandigheden zulks toelaten, in de loop der volgende week verschijnen."

 

Verduisteringspapier

Op bevel van de in het voorjaar van 1939 opgerichte "Luchtwachtpost Dedemsvaart", die een uitkijk‑ en meldingspost had op het dak van de Tuinstraatschool en van welke luchtwachtpost de heer Jan Doedens, destijds directeur van de C.A.V.D. commandant was, moesten op de avond van 10 mei 1940 alle huizen worden verduisterd. Er mocht geen streepje licht zichtbaar zijn, want dat zou direct gevaar kunnen opleveren.

De boekhandelaren in Dedemsvaart deden goede zaken, niet alleen door de verkoop van de zo even gemelde stroken papier, doch bovenal door de verkoop van het zogenaamde verduisteringspapier.

 


Op het dak van de inmiddels Christelijke school aan de Tuinstraat, had de Duitse bezetting van Dedemsvaart in de zomer van 1940 een zogenaamde Meldungsstelle ingericht.

 

Op deze turbulente dag, waarin plotseling zo heel veel gebeurde, gingen mijn gedachten in het bijzonder uit naar onze buurman "Meester Jansen". De heer Abraham Jacobus Jansen was als onderwijzer verbonden aan de openbare lagere school in Wijk F, de inmiddels afgebroken school nabij het tramstation. Sinds het begin van de mobilisatie was de heer Jansen als onderofficier gelegerd in één van de locaties van de Peellinie in Noord‑Brabant.

Mevrouw Jansen en haar zoontje ontvingen van de buurtbewoners op deze dag uit piëteitsoverwegingen veel bewijzen van aanhankelijkheid en sympathie.

 
Op zaterdag 11 mei reden nog steeds grote colonnes Duitse voertuigen over de Hoofdvaart in westelijke richting.

Zondag 12 mei 1940 was het Pinksteren. Ook op deze dag trokken grote afdelingen van de Duitse weermacht in de richting Zwolle.

Om ongeveer 11. 30 uur in de morgen van zondag 12 mei hield een colonne Duitse cavalerie halt aan de Hoofdvaart.

In de gang tussen het hotel Steenbergen, dat toen werd geëxploiteerd door de familie Dalloyaux en de kunstmestzaak van Spijkman, welke panden nu zijn samengetrokken tot één geheel van de firma Varwijk Woninginrichting, werden de veldkeukens gereed gemaakt, terwijl de paarden voor een rustpauze werden ondergebracht in de kunstmestloods.

Dit oponthoud duurde tot ongeveer 14.00 uur, waarna de hele colonne zich weer in beweging zette.

 

Zware gevechten

Maandag 13 mei hoorden we via de radio van de dappere strijd, die het Nederlandse leger, dat slechts uit 300.000 manschappen bestond, sinds vrijdag 10 mei voerde tegen gigantische Duitse overmacht. Vooral de strijd op de Grebbeberg bij Rhenen, de hevige gevechten bij Kornwerderzand bij de Afsluitdijk, de strijd in de Peel en vooral niet te vergeten de heroïsche strijd van de mariniers bij de Maasbruggen in Rotterdam, maakten veel indruk. Voor deze mariniers waren de Duitsers erg bang. Ze noemden hen "De Zwarte Duivels".

 

Overgave

Op dinsdag 14 mei 1940, even na het middaguur, werd het centrum van Rotterdam door een eskader Duitse bommenwerpers volledig in de as gelegd, waarbij circa 800 doden vielen.

De Duitsers wilden de capitulatie van het Nederlandse leger forceren en hadden gedreigd, dat de steden Amsterdam, Den Haag en Utrecht een zelfde lot zou treffen, indien niet gecapituleerd werd.

Op dezelfde dag, omstreeks 19.00 uur,  hield generaal H. G. Winkelman, opperbevelhebber van land‑ en zeemacht, een radiotoespraak, waarin hij de overgave van de Nederlandse strijdkrachten bekend maakte. Op dat moment was één van onze buren bezig zijn tuintje te spitten. Toen hij hoorde, dat Nederland zich had overgegeven gooide hij zijn schop ver van zich af, onder de uitroep: "Waar werk ik nu nog langer voor".

Als 12‑jarige maakte dat op mij nogal indruk.. Enige tijd na de capitulatie werd bekend, dat onder de circa 3000 gesneuvelde Nederlandse militairen, zich ook een aantal Avereester mannen bevond.

 

Hun namen zijn:

1. Hermannus Gerhardus Jozephus Winkelman uit Dedemsvaart, geboren op 24 maart 1920 en gesneuveld te Rhenen op 10 mei 1940;

2. Arie van Staalduinen uit Dedemsvaart, gesneuveld te Delft, op 11 mei 1940, 27 jaar oud;

3. Arend Poepe, uit Balkbrug, geboren op 17 juni 1916, overleden in het Academisch Ziekenhuis te Leiden op 11 mei 1940;

4. Arend Schippers uit Dedemsvaart, geboren op 29 september 1908 en gesneuveld te Dordrecht, op 11 mei 1940;

5. Dirk van der Graaf uit Dedemvaart, gesneuveld te Rhenen, op 11 mei 1940, 22 jaar oud;

6. Roelof Mulder uit Balkbrug.

Wij gedenken deze mannnen, die hun leven gaven voor het vaderland, met eerbied!

 

Dedemsvaartsche Courant 28 mei 1940

In het nummer van de "Dedemsvaartsche Courant" van dinsdag 28 mei 1940  stond onder meer het navolgende bericht:

"Voor het Vaderland.

Helaas blijkt het aantal dergenen uit plaats en omgeving, die in dienst van het vaderland het leven hebben gelaten, grooter dan aanvankelijk werd verhoopt.

Gelet op de luttele dagen, welke de strijd heeft geduurd, heeft onze streek een niet gering aandeel gehad in het bloedige offer onzer landszonen voor de nationale eer.

Voor de namen, welke geleidelijk bekend worden, verwijzen we naar de berichten van onze correspondenten.

Alle gevallenen brengen we het saluut der oprechte vaderlanders en dezer dank.

Hun voorbeeld van moed en offerzin moge worden beloond met de hergeboorte  ‑ eens ‑ van een vrij en onafhankelijk Nederland, waarin hun nagedachtenis als een eeuwige dankbaarheidsplicht zal worden onderhouden.

Een woord van hartelijke deelneming zij hier nog gewijd aan de zwaar-beproefde families der gevallenen. Wat zij verloren hebben in het dierbaarste wat ze bezaten, kan hun nimmer worden vergoed, maar de gedachte, dat hun dierbaren, met het offer van hun leven ons aller eer hebben beschermd en met hun bloed de basis van het recht legden, waarop de Nederlandsche natie zal worden herbouwd, sterke hen in hun smart.

God, de groote Vertrooster, schenke aan deze families zijn rijke genade, dit is kracht naar kruis.

Voor wat onze gemeente betreft, kwam in de laatste dagen bericht, dat ook Herman Winkelman, zoon van den heer Winkelman aan Sluis 6 en Arend Poepe te Balkbrug gesneuveld zijn.

Omtrent de militairen van Staalduinen te Dedemsvaart en Mulder te Balkbrug, was reeds eerder zoodanig bericht ontvangen.

Mogen zij allen rusten in den Vrede des Heeren".

 

Met de capitulatie ging Nederland één van de donkerste perioden in haar geschiedenis tegemoet en zou het vijf jaar duren eer het zonlicht van de bevrijding zou doorbreken.

                                    

---------------

 

Deel II

 

DE BEZETTING


Hoewel men in Avereest over het algemeen niet zo veel van de oorlog merkte, wil ik toch ter completering van dit historisch overzicht, een aantal schrijnende voorvallen in het kort aan de vergetelheid ontrukken, te weten: 

l. De deportatie op vrijdag 2 oktober 1942 van de Avereester Joden via het Durchgangslager Westerbork naar de vernietigingskampen Auschwitz, Sobibor en Treblinka. Slechts 3 van hen wisten de dans te ontspringen door hulp van de Verzetsbeweging in Nederland, namelijk:

a. Sientje Spier‑van Gelder;

b. haar dochter Roberta Spier;

c. de onderwijzeres Emma van Buren.

Zie voor een gedetailleerde beschrijving het boek "De Joodse gemeenschap van Avereest", uitgeverij @Servo@ te Bunne. ISBN 90 ‑ 71918 ‑ 44.

2. De tragische dood van de onderwijzer Dirk Dijkstra, Hoofdvaart 32, Huize "Us Honk", die in de nacht van dinsdag 31 augustus op woensdag 1 september 1943 door een brandbom (zogenaamde blindganger), gedropt door een in brand staande bommenwerper van de R.A.F. (Royal Air Force) die terugkeerde van een aanval op Berlijn, in de rug werd getroffen en tengevolge daarvan overleed op 33‑jarige leeftijd, nalatende zijn hoogzwangere echtgenote en hun 2‑jarig dochtertje Sanne. Op 10 september 1943 vertrok zij met haar dochter naar haar ouders in Dokkum. Volgens de mij ter beschikking gestelde gegevens werd op vrijdag 15 oktober 1943 in een ziekenhuis te Leeuwarden het kind van mevrouw Dijkstra geboren, een zoon. Het jongetje werd naar zijn vader genoemd: Dirk Dijkstra.

3.De laffe overval van een eenheid van de S.D. (Sicherheitsdienst) uit Zwolle op zondag 20 februari 1944 in de Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerk en de Roomsch‑Katholieke Kerk te Dedemsvaart, waarbij tientallen jonge mannen, waaronder veel onderduikers,  werden gearresteerd en via het concentratiekamp Amersfoort werden afgevoerd naar kampen in Duitsland. Enkelen van hen kwamen door de ontberingen om het leven.

4.De beruchte "Arbeitseinsatz", waarbij ook vele jonge Avereester mannen verplicht te werk werden gesteld in de Duitse oorlogsindustrie. Enkelen van hen kwamen door bombardementen om het leven, onder anderen:

 

a. Klaas Schoemaker, geboren op 5 september 1920 en overleden te Dresden op 13 februari 1945.

b. Gerhardus Wilhelmus van Dijk, geboren op 23 februari 1924 en overleden te Mühlheim a/d Ruhr op 30 april 1943.

c. Jannes Seine, geboren op 20 februari 1924 en overleden te Leuna op 12 mei 1944.d. Lambertus Padberg, geboren op 25 januari 1923 en overleden te Münster op 10 oktober 1943.

e. Albert van de Belt, geboren op 23 februari 1924 en overleden te Bremen, op 26 november 1943.

Ook deze jongemannen, die aan het begin van hun leven stonden, herdenken wij met eerbied. Mogen zij rusten in vrede!

 

5. De zogenaamde "Hongertochten" in de winter 1944-1945, waarbij veel mensen uit het westen van Nederland, soms dagenlang lopend, naar onze contreien kwamen om een beetje voedsel te bemachtigen. Velen van hen kwamen tijdens deze tochten door de felle koude, de ondervoeding en verdere ontberingen om het leven.

6. De verplichte tewerkstelling van alle mannelijke Avereesters vanaf 16 tot 55 jaar bij de Organization TODT, waarbij zogenaamde "Deckungslöcher (dekkingsgaten) moesten worden gegraven aan het Hasselterpand. Het beruchte "spitten in Hasselt".

 

Hongertrekkers (etenhalers) langs de Dedemsvaart. Het huis links op de foto was de woning van advokaat en procureur Mr. H.J. Steenbergen, later de winkel van Röben. Anno 2018 Restaurant " 't Dorp".

 

 

---------------

 

Deel III

 

DE BEVRIJDING

 

Het is vrijdag 6 april 1945, omstreeks 13.00 uur. Een stralende lentedag. Sinds begin october 1944 houd ik mij als 16‑jarige schuil in mijn ouderlijk huis in de Molstraat, omdat ik geweigerd heb mij te melden bij de O.T. (Organization Todt) voor het verrichten van graafwerkzaamheden nabij Hasselt.

 

Mijn vader was op 10 maart 1943 gepakt bij de zogenaamde "Arbeitseinsatz" en verbleef ergens in Duitsland. De spaarzame brieven, die wij van hem mochten ontvangen, getuigden van veel bombardementen en van weinig voedsel van bijzonder slechte kwaliteit, hoofdzakelijk bestaande uit de beruchte "Kohlsuppe", zodat ik er bitter weinig voor voelde om ook in de handen van de Duitsers te vallen.

 

Ik kijk uit het raam en ik zie een Dedemsvaartse politieman (ondanks het fraaie lenteweer gekleed in een dikke winterjas) in de richting van de Langewijk lopen. Later zou blijken, dat onder die dikke jas een automatisch vuurwapen, een zogenaamde stengun verborgen zat: Het wapen bij uitstek van de leden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (N.B.S.), in de volksmond beter bekend onder de naam "de ondergrondse".

 

Nadert de bevrijding?

In de eerste dagen van april 1945 werden de geruchten steeds sterker, dat we spoedig zouden worden verlost van de nazi-terreur en dat het uur der bevrijding met rasse schreden naderde. Uit voorzorg hadden we in de diepe kelder van ons huis een aantal zitplaatsen gemaakt en een voorraadje voedsel en drinken aangelegd. Men kon immers niet weten, wat er zou gaan gebeuren.

Plotseling klonken er gedurende enkele ogenblikken schoten, even later gevolgd door twee luide explosies. De bruggen over de Langewijk en de Kalkovenwijk, gelegen ten noorden van de Julianastraat., waren door de Duitsers opgeblazen.

Toen het schieten voorbij was ging ik naar buiten en zag dat een gewonde Duitse militair, in de nabijheid van de brug Molstraat‑Langewijk, op een draagbaar werd gelegd en werd afgevoerd. Ik kan mij nog herinneren, dat een andere Duitser, die inmiddels door leden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten ontwapend was en krijgsgevangen was gemaakt, tot zijn gewonde kameraad zei: "Alles gute Fritz, ich werde deine Frau schreiben, mach dir keine Sorgen", of woorden van gelijke strekking.

Later bleek, dat de veertienarige Hendrikje Klooster uit de Mulderij, die met enige vriendinnetjes op de Zuidwolderstraatweg nabij de Kloosterhoek vertoefde, door een verdwaalde kogel was getroffen en op slag was gedood. Voor de familie Klooster een onvergetelijk verlies!

 

De Duitsters blazen de bruggen op over de Langewijk en de Kalkovenwijk, gelegen ten noorden van de Julianastraat.

 

Commandant Platzner
Op het dak van de Tuinstraatschool had de Duitse bezetting van Dedemsvaart, bestaande uit een klein aantal oudere Luftwaffesoldaten, onder bevel van hun commandant Platzner, sinds de zomer van 1940 een uitkijk‑ en meldingspost betrokken. Platzner was van middelbare leeftijd en dreef in het burgerleven een drukkerij annex boekhandel in de Zuidduitse stad Regensburg. De Duitse bezetter had voor de "Luftmeldungsstelle Dedemsvaart" het herenhuis, genaamd "Huize Paraat" aan de Moerheimstraat no.1, (destijds plaatselijk bekend als Hoofdvaart D 277), eigendom van de heer A.J. Kappers in beslag genomen voor de huisvesting van Platzner en zijn manschappen. Vanuit gemelde uitkijk‑ en meldingspost werden de vluchten van de geallieerde luchteskaders, die op weg waren voor bombardementsaanvallen op Duitsland, doorgegeven naar posten in Duitsland.

 

De commandant van de zgn. Luftmeldungsstelle Platzer (tweede van links), als krijgsgevange op een Canadese gevechtswagen. De foto is genomen op de Markt in Dedemsvaart op vrijdag 6 april 1945.  Uiterst rechts op de foto nog o.a. de heer Gerhard Johan Gelderman, boekhandelaar en de heer Sok, destijds conciërge van het gebouw "Ons Centrum".

 

Overdag vlogen de Amerikanen (U.S. Air Force), terwijl het 's avonds en des nachts de Britten (R.A.F., Royal Air Force) waren, die de Duitsers gingen bestoken. Op het dak van de school bevond zich ook een grote schijnwerper, die, voor zover ik mij kan herinneren, gedurende de gehele oorlog praktisch niet is gebruikt. Ik hoorde en ik zag vanuit de tuin bij ons huis, dat de schijnwerper aan diggelen werd geslagen en even later zag ik de Duitsers via de buitentrap haastig de school verlaten. Enkele ogenblikken daarna werd er verteld, dat op de Markt in Dedemsvaart, de Duitsers door de Canadezen krijgsgevangen waren gemaakt.

 

Mijn broer en ik liepen (ondanks het moederlijk verbod) snel naar de Markt, waar we inderdaad Platzner en zijn handlangers breedgrijnzend op een Canadese gevechtswagen zagen zitten. Voor hen "war der Krieg vorüber." Ik kreeg niet de indruk dat de Duitsers er erg rouwig om waren, dat ze krijgsgevangen waren gemaakt.

 

Dedemsvaart vrij!

Vlaggen werden overal uitgestoken, onderduikers konden zich voor het eerste sinds maanden weer rustig op straat vertonen en de leden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten zochten met geestdriftige ijver het dorp af naar achtergebleven N.S.B.-ers, N.S.K.K.-ers en moffenvrienden, die allen werden overgebracht naar de school naast het tramstation.

 


Een groep Duitse krijgsgevangen genomen militairen wordt door twee leden van het Eerste Canadese Legerkorps ondervraagd. Aan vijf jaren van onderdrukking en terreur is een einde gekomen.

 

Aangezien de drie Canadese tanks hun triomftocht voorlopig hadden beëindigd op het terrein van de E.D.S. (Eerste Drentse Stoomtramwegmaatschappij) heerste er bij het tramstation een vrolijke en gezellige drukte. Praktisch geheel Dedemsvaart was uitgelopen om de bevrijders te begroeten en de gevangen onderdrukkers uit te jouwen.

 

Tegen zeven uur in de avond echter vertrokken de Canadezen weer. Ze vormden slechts een verkenningsonderdeel van het leger, dat in de nabijheid van Gramsbergen lag en moesten nu weer op de hoofdmacht terugtrekken.

Het grootste gedeelte van de plaatselijke afdeling der Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten verliet, gezeten boven op de tanks, eveneens het dorp. Slechts twee gewapende leden, Hendrik Jan Egberts en Jacob Oostenbrink, bleven achter om de gevangenen in de school te bewaken.

 

Ontzetting

Ondanks de belofte van de bevrijders om de volgende morgen (zaterdag 7 april) terug te komen, heerste er teleurstelling onder de mensen bij het E.D.S.‑emplacement, een teleurstelling, die in ontzetting en paniek veranderde, toen enkele minuten na het vertrek der Canadezen een paar mannen hijgend kwamen aanlopen uit de richting Balkbrug, roepend: "De moffen, de moffen komen terug!". Even later klonken reeds schoten en de oploop bij het tramstation spatte uiteen. Ieder zocht een goed heenkomen. Sommigen zochten dekking in tramwagons, anderen in loodsen en weer anderen achter en in de huizen van Andries Huisman, werkmeester der E.D.S. en Gosen Blijham, commies bij de Rijksbelastingdienst.

Langzaam, omzichtig sluipend langs de huizen en door achtertuintjes, naderde een patrouille van circa twintig Nederlandse S.S. kerels onder commando van een Duitser. Zij kwamen om wraak te nemen en om hun gevangen genomen kameraden te ontzetten.

 

Zonder omwegen trokken ze dadelijk naar de school. Egberts en Oostenbrink trachtten nog weerstand te bieden en losten enkele schoten uit hun stenguns, maar toen dit vuur werd beantwoord met handgranaten, moesten zij hun post opgeven en een goed heenkomen zoeken. De SS‑patrouille nam echter geen enkel risico en bestookte nog geruime tijd de school en de woning van Huisman met handgranaten en zelfs met een pantservuist. Er bleef geen ruit heel in deze gebouwen, terwijl de deuren uit hun scharnieren vlogen. De heer en mevrouw Huisman hadden hun toevlucht gezocht in een keldertje, terwijl in één van de achterkamers een groep mannen op de grond lag, waaronder zich ook Bart Boertjes bevond. De inmiddels overleden Bart Boertjes, was destijds zaadhandelaar in Dedemsvaart. Hij was een neef van mijn vrouw en hij heeft ons kort voor zijn overlijden de dramatische gebeurtenissen van vrijdag 6 april 1945 uitvoerig verhaald.

Ik laat nu Bart Boertjes aan het woord:

 

"Tenslotte sommeerden de Duitsers ons dan allen met de handen boven het hoofd naar buiten te komen. Uit de school, de woning van Huisman en die van commies Blijham, kwamen ongeveer vijftig personen te voorschijn. We werden allen gefouilleerd en daarna mochten de vrouwen en kinderen vertrekken. De mannen echter (er waren er ongeveer dertig) werden in het gelid gezet en moesten onder geleide van de Duitsers afmarcheren in de richting Balkbrug. Ik moest een grote rol dekens boven het hoofd dragen. Sommigen droegen zware koffers en andere eigendommen van de (nu weer bevrijde) N.S.B.ers en N.S.K.K.ers. Degenen die niets droegen, moesten de hele weg hun handen omhoog houden. In Balkbrug werden we voor het café van Jan Leunge nogmaals gefouilleerd, waarna we in de achterzaal van het café konden gaan zitten. De bewaking bestond nu uit Nederlanders in uniformen van de Grüne Polizei. Terwijl wij daar zaten, arriveerde de groepsleider van de N.S.B. uit Dedemsvaart, die voor de komst van de Canadezen naar Meppel was gevlucht. Hij was b1ijkbaar door de Duitsers ontboden. Even later werden onze persoonsbewijzen ingenomen en gebracht naar de gelagkamer van het café, waar zich de Duitse officieren, de Nederlandse luitenant der Grüne Polizei Burgers en de groepsleider van de N.S.B. uit Dedemsvaart bevonden. Wat er zich toen in die gelagkamer heeft afgespeeld, is nooit geheel tot klaarheid gebracht. De bevelvoerende Duitse officier schijnt de groepsleider van de N.S.B. uit Dedemsvaart te hebben verzocht, aan de hand van de ingenomen persoonsbewijzen, de mannen aan te wijzen, die als anti-Duits en dus als Aterroristen" konden worden beschouwd. Eén der ooggetuigen, Huisman, beweert, dat de groepsleider van de N.S.B. uit Dedemsvaart, toen bij het licht van een brandende kaars op het biljart de persoonsbewijzen heeft bekeken, maar daarna verklaarde, dat er geen terroristen onder de arrestanten waren. Anderen spreken deze verklaring pertinent tegen!@

 

Het café van Jan Leunge aan de Meppelerweg t te Balkbrug. Ongeveer dertig mannen moesten lopend vanuit Dedemsvaart hier naar toe. Negen van hen werden door de vijand in koelen bloede vermoord.

 

"Inmiddels was de spanning onder de gevangenen in de achterkamer bijna ondraaglijk geworden. Over het algemeen kon men niet geloven, dat de Duitsers tot executies zouden overgaan. Iedereen was immers onschuldig,  iedereen, behalve Egberts, die daadwerkelijk als lid der N.B.S., gewapend verzet had gepleegd. Hij begreep dan ook, dat hij niets te verliezen had. Zijn kameraad Oostenbrink had, door te vluchten, uit handen van de Duitsers kunnen blijven. Ook voor Egberts was het nu een kwestie van vluchten of sterven. Hij stond op en vroeg aan één van de bewakers of hij even naar het toilet mocht gaan. Dit werd toegestaan en praktisch onder de ogen van een Duits soldaat gelukte het hem via een zijdeur en de schuur, uit het café te ontsnappen.

 

Enige ogenblikken later trad een Nederlandse Grüne de achterzaal binnen met twee stapeltjes persoonsbewijzen in de hand. Eerst werden vijftien namen, waaronder ook de mijne, afgeroepen. We moesten aan de ene kant van de zaal gaan staan. De overigen kregen hun persoonsbewijzen terug en mochten direct vertrekken. Meerding, die toevallig in de gelagkamer was geweest toen de persoonsbewijzen werden uitgezocht, fluisterde me in: "Weet je wat er met ons gebeurt? We worden doodgeschoten". Ik kon het echter niet geloven, zelfs niet, toen ik even later als eerste van een groep van vijf werd aangewezen om naar buiten te gaan. Het was inmiddels donker geworden. Onder gewapend geleide moesten we met ons vijven marcheren naar de Hoofdvaart tot voor de inrit van de boerderij van Grootenhuis. Daar werd het commando "Linksom" gegeven, waarna we door één van onze vijanden een meter uit elkaar werden gezet. We stonden op de berm langs de straatweg met de rug naar het kanaal en tegenover elk van ons posteerde zich een Nederlandse soldaat in Duits uniform met het geweer in de aanslag. Ik begreep toen eindelijk pas, wat er gebeuren zou. "Links van mij riep Jan de Boer: "Jullie schieten vijf onschuldige mensen dood".


Van links naar rechts: De boerderij van de familie Grotenhuis en de woning van de huisarts Hendrik Willem Mol, aan de Coevorderweg te Balkbrug.

Zelf vroeg ik, of ik nog iets zeggen mocht, maar er kwam geen antwoord. In stil gebed zocht ik uitkomst. Toen zag ik opeens, hoe mijn linkerbuurman een sprong achteruit naar het kanaal deed. Ik bukte me om een sprong voorwaarts te nemen. Op hetzelfde ogenblik vielen de vijf schoten. Ik voelde een slag tegen mijn schouder, viel achterover, sprong weer overeind en vluchtte door de inrit het erf van de boerderij van Grootenhuis op. In het donker rende ik tegen een hek aan, was er even later overheen, vluchtte verder, kroop door gaas en prikkeldraad tot ik achter in de tuin van dokter Mol was, waar ik toen in een struik gekropen ben. Tijdens mij vlucht had ik onophoudelijk schieten gehoord en toen ik wat tot mijzelf gekomen was, voelde ik, dat ik een schotwond in mijn rechterschouder had". Tot zover het verhaal dat Bart Boertjes mij destijds verteld heeft.

 

Bart Boertjes was echter niet de enige uit de deze groep, die aan de dood ontsnapte. Meerding en Jan de Boer waren in het water gesprongen en hadden zwemmend de overkant van het kanaal bereikt. Timmer had zich laten vallen en zich dood gehouden, om later in het donker weg te sluipen. Slechts één van de vijf, Jan Sluijer, was levensgevaarlijk getroffen en zou later op de avond door een Duitser met een "genadeschot" van het leven worden beroofd.

 

In het café zaten intussen nog tien gevangenen te wachten. De Duitsers begrepen nu, dat het te gemakkelijk was om in het donker te ontsnappen en gelastten daarom hun arrestanten stuk voor stuk uit het café te komen. Op de weg, die van café Leunge naar de Hoofdvaart loopt, werden toen nog acht mannen met een nekschot gedood.

 

Negen doden

Kort na middernacht verlieten de moordenaars Balkbrug. Hun rauwe stemmen verstierven geleidelijk aan in de doodse stilte. Op straat lagen de lichamen van negen mannen uit Dedemsvaart, wie niets anders kon worden ten laste gelegd, dan dat zij zich te vroeg hadden verheugd over de komst van de bevrijders, die eerst de volgende dag hun dorp werkelijk zouden bezetten. De namen van de negen mannen, die op de avond van de zesde april 1945 op barbaarse wijze vermoord zijn, in alfabetische volgorde:

 

1. Jan Boerman, echtgenoot van H.E. Smits, belastingambtenaar, geb. 20 januari 1917.

2. Lucas Bouwknegt, ongehuwd, automonteur, geb. 11 april 1922.        

3. Hendrikus Gerhardus Joseph Jansen, echtgenoot  van L.W. van Dijk, vertegenwoordiger, geb. 23 maart 1911.

4. Lefert ten Kate, echtgenoot van L. ten Kate, makelaar, geb. 13 september 1906.

5. Hendrik Logtenberg, echtgenoot van M. Vos, slager, geb. 11 maart 1905.

6. Gerrit Helmus Reinink, echtgenoot van H. Bouwman, landbouwer, geb. op 16 october 1920.

7. Antonius Bernardus Adolf Rijkers, echtgenoot van C.M. Coomans, winkelier, geb. 28 december 1890.

8. Jan Sluijer, echtgenoot van D. Tijssen, bankwerker, geb. 8 februari 1909.

9. Jans H. Veldhuis, ongehuwd, automonteur, geboren op 17 december 1922.

Wij gedenken hen met eerbied!

Waar enerzijds grote vreugde heerste in Dedemsvaart, omdat de langverwachte bevrijding praktisch een feit was, trof men anderzijds groot verdriet en ellende aan in die gezinnen, waar op het allerlaatste moment vader, zoon of broer door de meedogenloze vijand waren vermoord. Grote ontroering maakte zich van velen meester. Een donkere schaduw was gevallen op het zonlicht van de bevrijding! Als een getergd roofdier had de vijand zijn bloederige klauwen uitgehaald naar de levens van negen onschuldige mannen.

 

Gedenkteken

Ter nagedachtenis aan de negen mannen, die op vrijdag 6 april 1945 in Balkbrug werden vermoord, werd oorspronkelijk een eenvoudig houten gedenkteken opgericht vóór café Leunge. Op woensdag 6 april 1955, dus tien jaar na de bevrijding, werd in het centrum van Balkbrug, in het plansoentje bij het gebouw van de voormalige Gemeente Spaarbank Avereest, een granieten gedenksteen met koperen plaat onthuld, ter gedachtenis aan de negen genoemde slachtoffers. De onthulling geschiedde door Mr. Johan de Widt, toen burgemeester van Avereest, in samenwerking met de heer Hans Sipkema, destijds winkelier in Balkbrug en voorzitter van de commissie tot plaatsing van bedoelde gedenksteen.

 

Laatste stuiptrekkingen van de vijand

Zondag 8 april 1945 verliep aanvankelijk vrij rustig. Met twee vrienden ging ik die middag een eind wandelen. We liepen op de Langewijk ter hoogte van het huis van de groentehandelaar Theo de Lange, toen er plotseling weer schoten vielen. We bedachten ons geen moment en renden bij de familie de Lange de tuin in, waar men een grote schuilkelder had gebouwd. In deze schuilkelder hebben we ongeveer een uur doorgebracht. Later bleek, dat een kleine groep Duitsers, naar Dedemsvaart was teruggekeerd en daar in het wilde weg was begonnen te schieten. De laatste stuiptrekking van de stervende vijand!

 

Van de gebeurtenissen op maandag 9 april 1945 kan ik mij niet zoveel meer herinneren. Wel weet ik nog dat de aan de "Dedemsvaartsche Courant" verbonden journalist Lambertus Emanuel Mokveld, die onder het pseudoniem "Dixi" (Latijn voor: "Ik heb gezegd") artikelen voor diverse bladen schreef, begon met het uitgeven van de zogenaamde "Dixi's Nieuwsbulletins". Deze nieuwsbulletins waren gedrukt op vrij smalle gekleurde stroken papier door Drukkerij Spithorst aan de Julianastraat en werden verkocht door Boekhandel J.J. (Ko) Tromp, voor tien cent per stuk. In deze nieuwsbulletins werden de laatste oorlogshandelingen vermeld, waarbij het opmerkelijk was, dat de soldaten van de Duitse weermacht zich bij honderdduizenden tegelijk aan de geallieerde legers, van de generaals Eisenhower en Montgomery, overgaven. Het duizendjarig rijk van Adolf Hitler wankelde en stond op instorten.

 

Proclamatie

Dinsdag 10 april 1945 werd op diverse punten in de gemeente Avereest de proclamatie van H.M. Koningin Wilhelmina aangeplakt, dat onze gemeente nu officieel bevrijd was en dat het onder het zogenaamde Militair Gezag stond.

De tekst van deze proclamatie, gezet in een rood-wit-blauw kader met op de vier hoeken de letter AW@ van Wilhelmina, van welke proclamatie zich een origineel exemplaar in mijn archief bevindt, luidt letterlijk:

   "Landgenooten,

Het uur der bevrijding is thans ook voor U aangebroken.

Het oogenblik, waarop Ik en U met zooveel spanning en ongeduld gewacht hebben, is daar.

Ik weet van de bittere beproevingen, waaronder Gij, afgesneden van een deel van ons Vaderland, deze laatste maanden hebt geleefd. Die druk heeft thans een einde genomen.

Ik weet ook van den bovenmenschelijken moed, waarmede Gij de zwaarste ontberingen hebt gedragen.

Talrijke handen zijn uitgestrekt om het einde Uwer nooden zoveel mogelijk te bespoedigen, maar veel zal daarbij afhangen van Uw rustige en eendrachtige houding in de komende dagen.

Werkt  allen mede deze een rustig verloop te geven.

 

Gehoorzaamt stipt de bevelen van het Geallieerde Opperbevel , waarmede de Regeering een regeling heeft getroffen. Luistert naar de aanwijzingen van Uw Nederlandsch Militair Gezag, dat krachtens die regeling onder 1eiding en

verantwoordelijkheid der Nederlandsche Regeering, zijn taak in overleg met het Geallieerd Opperbevel verricht.

Ik hoop spoedig op Nederlandschen bodem terug te keeren om met mijn     

verantwoordelijke raadgevers de leiding van 's Lands zaken weer op Mij te nemen.

Dat Gods zegen op U allen ruste.

Nederland herrijst. Leve het Vaderland!

W i 1 h e 1 m i n a"

 

Avereest bevrijd!
De gemeente Avereest was nu echt bevrijd! Nu moest de vlag worden uitgestoken! We bezaten thuis echter geen vlag meer. Geen nood! We gingen naar drogisterij Melenhorst aan de Julianastraat en kochten daar een pakje rode en blauwe verf, knipten een nog redelijk beddelaken in drie banen, stopten dat in het verfbad en klaar was onze nationale driekleur! De kleuren waren weliswaar niet zo erg getrouw, maar wie daar toen op lette was een kniesoor.

 


Een Canadese tank rijdt over de Langewijk in westelijke richting. De foto is genomen ter hoogte van de voormalige boerderij van de familie Rooth, nu kinderboerderij Dekibo.

 

Kort na de bevrijding trokken elke avond tegen zeven uur grote aantallen mensen naar de woning van Pieter Rommert Hazenberg, aan de Langewijk 196 in Dedemsvaart. Hazenberg exploiteerde het radiodistributienet voor Dedemsvaart en omgeving en had luidsprekers aan zijn woning bevestigd, zodat men de nieuwsberichten van Radio Oranje, die elke avond om 7 uur vanuit Londen werden uitgezonden, goed kon volgen. Telkens ging er een luid gejuich op als de nieuwslezer bekend maakte, dat er weer zoveel honderdduizenden Duitsers zich hadden overgegeven. Ik kan mij nog goed herinneren, dat er aan het einde van iedere nieuwsuitzending een aantal berichten in code werden doorgegeven, welke bestemd waren voor de verzetsorganisaties in het nog niet bevrijde gedeelte van Nederland. Een iedere avond steevast terugkerend bericht luidde: "dat de melk overkookte" .

 

In de middag van dinsdag 10 april 1945 reden grote colonnes voertuigen van het Canadese Eerste Legerkorps, waaronder veel tanks, vrachtwagens (de zogenaamde drietonners), jeeps en bren‑carriers over de Langewijk in westelijke richting om de bevrijding van Nederland te voltooien.

 

Het Canadese Eerste Legerkorps, dat onder bevel stond van Generaal Henry Duncan Graham Crerar (1888-1965)  bestond naast een meerderheid van Canadezen uit militaire eenheden van Nederlandse, Belgische, Poolse en Tsjechische nationaliteit. Generaal Crerar (de bevrijder van Noord‑ en Oost Nederland) voerde het bevel over 500.000 militairen in de Noordelijke sector.

 

Een Canadese bren-carrier in volle vaart nabij Sluis 6. Een bren-carrier is een licht rupsvoertuig met als bewapening een bren (lichte-mitrailleur).

 

De gigantische stroom militaire voertuigen hield uren en uren aan. Bijzonder tragisch was het feit dat een Dedemsvaarts jongetje, te weten de elfjarige A.C. Dieckman, wonende aan de zuidzijde van de Hoofdvaart te Dedemsvaart, ongeveer tegenover de molen, in zijn enthousiasme om alles goed te kunnen volgen, door een militair voertuig werd overreden en hierbij helaas om het leven kwam. Voor de familie Dieckman een groot verlies!

 

 

Terugkijkend in mijn herinnering

Wat valt er verder nog meer te verhalen, hoe ik persoonlijk de bevrijding van Dedemsvaart heb beleefd. Terugkijkend in mijn herinnering zie ik (alsof het een film betreft) een aaneenschakeling van gebeurtenissen, die een grote indruk bij mij hebben achtergelaten:

- Lieden, die met de vijand hadden geheuld, werden geïnterneerd;

- Ruilhandel met de bevrijders: eieren voor sigaretten, zoals Player's Navy Cut, Sweet Corporal en de geurige Wild Woodbine;

- voor het eerst sinds jaren weer een stukje chocolade proeven;

- je tanden zetten in de harde Canadese biscuit van het merk "Rowntree";

- onderduikers, die na jaren weer boven water kwamen;

- personenauto's, die jarenlang op boerderijen onder het hooi waren verborgen gehouden, namen weer deel aan het verkeer;

- maar bovenal ligt nog vlijmscherp in mijn geheugen gegrift: Grote Volksfeesten van een omvang, zoals er later nooit meer in Dedemsvaart zouden plaats vinden, allegorische optochten met versierde wagens en boten, kermis en overal tot in verre omgeving vlaggen en blijde opgewekte mensen, die verheugd en gelukkig waren, dat men na vijf donkere jaren van de tirannie was verlost en dat men weer kon leven in een bevrijd Nederland.

 

Gaarne wil ik dit historisch overzicht besluiten met de ontroerende woorden, die de dichter Leo Vroman in mei 1945, toen ons gehele vaderland van het Duitse juk was bevrijd, aan het papier toevertrouwde, namelijk:

 

"Kom vanavond met verhalen,

hoe de oorlog is verdwenen.

En herhaal ze duizendmalen,

alle keren zal ik wenen".

 

 

 

---------------

 

Deel IV

 

TENSLOTTE

 

 

 

Alvorens dit historisch overzicht wordt beëindigd zal ik nog, zeer in het kort, enkele feiten uit mijn oorlogsarchief naar voren brengen.

Ik doe hier en daar een willekeurige greep.

 

De Nederlandsche Arbeidsdienst

Op 23 mei 1941 werd door de bezetter de Nederlandsche Arbeidsdienst (N.A.D.) opgericht, naar het voorbeeld van de Duitse Reichsarbeitsdienst. Nederlandse jongens vanaf 17 jaar werden verplicht dienst te nemen in de N.A.D. voor een periode van zes maanden, "tot heil van de Germaanse gemeenschap". De "arbeidsmannen",  zoals ze werden genoemd, verbleven in werkkampen, die nog al ver van de bewoonde wereld aflagen, zoals in gehuchten als Fochteloo (Friesland) en Ten Arlo (tussen Zuidwolde en Hoogeveen). Het N.A.D. uniform was bronsgroen van kleur met aan beide zijden op de kraag een "gouden" korenaar. Ze werden "Koenraad" genoemd, "Koenraad van de Arbeidsdienst". De "opleiding" was erg streng en zwaar. Een inwoner van Dedemsvaart, die destijds ook een halfjaar in de N.A.D. had gediend vertelde mij onlangs het volgende verhaal. "Ik liep op de appèlplaats en stak een sigaret op. Per ongeluk gooide ik het lucifershoutje op de grond. Een voorman zag dit en ik kreeg er behoorlijk van langs. Ik moest net doen of het lucifershoutje een zware balk was, die in een kruiwagen moest worden getild en daarna in een diep gegraven kuil "ter aarde moest worden besteld."  In september 1943 werd een compagnie van de N.A.D. naar Dedemsvaart gedirigeerd om de akkerbouwers te helpen bij het binnenhalen van de aardappeloogst. De arbeidsmannen waren ingekwartierd in het gebouw, dat toen nog "Ons Centrum@ was genaamd, aan de Julianastraat 54 te Dedemsvaart. Als tegen het einde van de middag de arbeid op de aardappelvelden was gebeurd, marcheerde de hele compagnie doodmoe en vuil van het zware landwerk terug naar "Ons Centrum@ onder het verplicht zingen van Germaanse strijdliederen. Tegen het einde van de maand september 1943 brak er in Dedemsvaart op vrij grote schaal dysenterie uit onder de "Koenraads" van de Arbeidsdienst. Het catechisatielokaal van "Ons Centrum" werd toen als ziekenzaal ingericht.

 

De april‑mei staking en de avondklok

Eind april, begin mei 1943 beval de bezetter, dat alle Nederlandse militairen, waarvan een groot aantal na de capitulatie was opgenomen in de zogenoemde "Opbouwdienst", terug moesten in Duitse krijgsgevangenschap. Dit bevel bracht een grote schok in de Nederlandse samenleving te weeg. Als reactie op dit bevel braken er vlak daarna op verschillende plaatsen in Nederland proteststakingen uit. De Duitsers beantwoordden deze stakingen door stakingsleiders en stakers zonder enige vorm van proces te executeren. Ook werd een zogenaamd "samenscholingsverbod" afgekondigd. Wanneer meer dan drie personen bij elkaar stonden was dat voor de bezetter een reden om direct tot executie over te gaan. Tevens werd de "Avondklok" ingesteld. Dit hield in, dat men zich van 's avonds acht uur (20.00 uur) tot de volgende morgen zes uur niet op straat mocht bevinden. Politiemensen, mensen, die in de gezondheidssector werkzaam waren, zoals artsen, verloskundigen, verpleegsters enz. en degenen die in de voedselvoorziening hun werk hadden, waren vrijgesteld van de "Avondklok". Zij werden in het bezit gesteld van een legitimatie, een "Ausweis". Wanneer er in die tijd een paartje in het huwelijksbootje stapte, werd de bruiloft meestal gehouden in de grote zaal van Hotel "Centraal", van de familie Jan Kiewiet, aan de Markt/Marktstraat te Dedemsvaart. De bruiloftsgasten kwamen dan voor acht uur 's avonds bij elkaar en waren verplicht om tot de volgende morgen zes uur in Hotel "Centraal" te bivakkeren en zich aldaar te vermaken. Ondanks het feit, dat er in die barre tijd weinig te eten en te drinken viel, waren deze sobere bruiloftspartijen heel gezellig! Men bracht de lange tijd van tien uren door met gezang, het opvoeren van toneelstukjes, moppen tappen, spelletjes enz. In onze familie (P.M.) is een dergelijke bruiloft ook eens gevierd.


Het voormalige hotel "Centraal" op de hoek van de Markt-Markstraat, eigendom van de familie Jan Kiewiet. De boom op de voorgrond is de Julianaboom, die in april 1909 werd geplant, ter ere van de geboorte van prinses Juliana.

 

Colportage "Volk en Vaderland"

In de beide eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog (1940 en 1941) ging een tweetal pro‑Duitse Dedemsvaartse jongemannen, telkens op dinsdagavond,   propaganda maken voor het weekblad "Volk en Vaderland"  van de Nationaal‑Socialistische Beweging in Nederland (N.S.B.).

Een grote menigte Dedemsvaarters, belust op een relletje, trachtte de propaganda‑activiteiten van het tweetal te verstoren. Om een grote dorpsrel te voorkomen, wat de Duitsers uiteraard wilden,  werd onmiddellijk ingegrepen door de Rijksveldwachter H.G. Disselborg en de Gemeentelijke Politiefunctionaris J.W. van der Aart.

In Dedemsvaart kreeg dit wekelijkse gebeuren al spoedig de naam "De Bonte Dinsdagavond" met een knipoog naar het bekende vooroorlogse komische duo "Snip en Snap" (Willy Walden en Piet Muyselaer) van de René Sleeswijk Revue "De Bonte Dinsdagavondtrein".

 

Het distributiekantoor

In de loop van 1939 trad de Distributiewet in werking en begon het logge ambtelijke distributieapparaat in Nederland te draaien. Het eerste artikel, dat in 1939 bij wijze van proef op de bon kwam was suiker. Nederland werd verdeeld in ongeveer 500 Distributiekringen. Avereest droeg het nummer 122. Iedere Nederlander werd via de betrokken gemeente in het bezit gesteld van een zogenoemde Distributiestamkaart, waarop men dan distributiebonnen kon verkrijgen voor het kopen van voedsel. Voor textielaankopen had men een puntensysteem bedacht. Alle distributiekantoren in Nederland vielen organisatorisch onder het Centraal Distributiekantoor (C.D.K.), dat in Den Haag was gevestigd. Omstreeks 1944 werd het C.D.K. als gevolg van de oorlogsomstandigheden verplaatst naar Zwolle. Het distributiekantoor (D.K.) van Avereest was gevestigd in het voormalige Hotel Steenbergen aan de Hoofdvaart (nu Varwijk woninginrichting). Als directeur werd benoemd de Avereester gemeenteambtenaar Rutger Dijsselhof. Hij werd bijgestaan door twee adjunct-directeuren namelijk: Jan Schuurman en Jaap Fokkinga, beiden

ook ambtenaar bij de gemeente Avereest. Tot beheerder over de bonkaarten, vergunningen en toewijzingen werd aangesteld: Henk Miedema, zoon van de hoofdonderwijzer Miedema van Sluis Zes. Henk Miedema kreeg de titel "kassier". Er was altijd veel werk te verrichten op het D.K. Als jongelui met hun diploma de M.U.L.O.-school verlieten, konden ze er direct aan de slag.

Op donderdag 10 augustus 1944, omstreeks 17.00 uur, werd door een verzetsploeg een overval gepleegd op het distributiekantoor, waarbij grote hoeveelheden bonkaarten werden buit gemaakt. Deze kaarten waren bestemd voor de onderduikers. Het kantoor werd destijds constant bewaakt door twee Rijkspolitiemensen. Op het moment van de overval waren deze beide mensen, die goede vaderlanders bleken te zijn, net even naar het toilet. Later bleek, dat zowel de beide politiemensen als ook enkele distributieambtenaren in het complot zaten.

 

De Geallieerde luchtmacht

Oorspronkelijk voerde in het begin van de oorlog alleen de Engelse Luchtmacht (Royal Air Force ‑ R.A.F.) bomaanvallen op Duitsland uit. Het waren meestal kleine eskaders vliegtuigen, die =s nachts actief waren.

Toen President Franklin Delano Roosevelt op 8 december 1941 aan Japan de oorlog verklaarde, tengevolge van de laffe Japanse aanval op de Pacific Vloot van de U.S.A. op 7 december 1941, waarbij nagenoeg die gehele vloot werd vernietigd, kwarn een enorme armada van vliegtuigen naar diverse bases in Engeland (United States Air Force).

Bekend waren onder anderen de indrukwekkende viermotorige bommen-werpers, de zogenoemde Vliegende Forten. De U.S.A.F. voerde overdag de bombardementsvluchten op het vijandelijke Duitsland uit. De Duitse Luchtmacht (Luftwaffe) had een vrij groot aantal jachttoestellen gestationeerd op het vliegveld Twente nabij Lonneker (Enschede). Het gebeurde regelmatig, dat van een bombardementsvlucht terugkerende geallieerde toestellen werden aangevallen door Duitse jachttoestellen, met als gevolg, dat een toestel werd geraakt, in brand vloog en daarna neerstortte.

 

Geallieerde bommenwerpers op wqeg naar doelen in Duitsland. De Amerikanen (U.S.A.F.) vlogen overdag en de Britten R.A.F. 's nachts.

 
Dit is diverse malen gebeurd in het luchtruim boven Dedemsvaart en omgeving. Ook kwam het wel eens voor, dat een vliegtuig met motorpech te kampen kreeg en gedwongen werd een noodlanding te maken. Dit vond onder andere plaats op woensdag 8 maart 1944 om ongeveer 15.00 uur, toen een bommenwerper wegens motorstoring op Den Oosterhuis moest landen.

In het begin bleven veel mensen 's avonds op als de R.A.F. zo tegen een uur of tien overvloog, maar naar mate de oorlog langer duurde ging men gewoon op tijd naar bed, in de hoop, dat alles goed zou gaan en er geen bommen zouden vallen.

 

Klompen en schoenen

Zowel klompen als schoenen vielen gedurende de Tweede Wereldoorlog onder de Distributiewet. Wilde men een paar schoenen kopen, als die tenminste nog voorradig waren bij de schoenhandel, diende er eerst een aanvraagformulier voor toewijzing van een paar schoenen te worden ingevuld en ingeleverd bij het Distributiekantoor. Op dat aanvraagformulier kwam onder anderen de m.i. enigszins vreemde vraag voor om welke reden men een paar schoenen wenste. Als men geluk had ontving men na enige tijd een bon, waarop men dan bij de schoenhandel kon proberen een paar schoenen te kopen. Met klompen was dat precies zo. Gedurende de oorlog liepen veel mensen op klompen, die doorgaans snel versleten waren. Gelukkig woonde er in Balkbrug een klompenmaker, genaamd Klein, die menig Avereester aan een paar nieuwe klompen hielp, uiteraard wel tegen betaling, maar zonder bon. De schoenmaker Gerard Santman, Moerheimstraat 36, nam omstreeks 1944 het initiatief om een ruilbureau te starten voor schoeisel. Dit ruilbureau was één keer in de week open (naar ik mij meen te

 

Ga terug