Kalkovens

Omstreeks 1820 was het graven aan de Dedemsvaart, of liever gezegd de hoofdwijk door Arriën (later Kruizinga's of Langewijk) ongeveer gevorderd tot aan Sluis 6. In 1817 had men een aanvang gemaakt met de Hoofdvaart, doch hierbij was men door de eerste financiële moeilijkheden van W.J. baron van Dedem nog niet veel verder gekomen dan de Wisseling. De Kalkwijk (Julianastraat) was nog niet gegraven. Baron van Dedem had zelf veel grond ten noorden van de Kruizinga's wijk in eigendom, en op de plaats waar de Kruizinga's wijk een flauwe knik maakte, stichtte hij aan een dwarswijk in Noordelijke richting enige kalkovens. Gunstige factoren voor de oprichting van de Kalkovens waren het goede vaarwater, voldoende scheepsruimte (de schelpen zouden als retourvracht voor de turf meegenomen kunnen worden) en een behoefte aan het product. In die tijd verrezen in de prille veenkolonie de eerste stenen woningen en bij het geschikt maken van de ontveende  dalgrond voor de landbouw kon ook veel kalk gebruikt worden (al werd deze toepassing pas na de eeuwwisseling grootschalig).

 

De Historische Vereniging Avereest heeft in één van de drie nog bestaande kalkovens een mooie expositie voor kinderen gerealiseerd.

 

Zie ook: Dedemsvaartse schelpkalk (Industrie)