DE SCHEEPSJAGERSDYNASTIE

Jaren geleden ontving ik van Gerard Varwijk een brief afkomstig van G. Nijboer te Nieuwleusen, waarin o.a. stond geschreven: "Ik
herinner me die scheepsjagers ook nog goed: Jan van Piet, Piet van Paul, Freerk van Piet, Albert van Piet, Piet van Piet, Piet van
Jan, Piet van Paul, Jan Schutte, Aakien Pouls, Hidde de Bruin, Jan Haar, Wolter Knol en de vader van Frans Knol. Van de Meele: Jan van der Kolk, de Winkies, Arend Seine, Arend Wiechers Borger, Klaas Borger, enz.
Het is jammer dat ik deze man (G. Nijboer, inmiddels overleden) niets meer kan vragen. Misschien heeft zijn familie nog verhalen of krantenknipsels. Ik zou dat dan graag horen. Als wij de verhalen van vroeger niet opschrijven of door vertellen gaan ze verloren.

Scheepsjagers hadden vroeger geen beste naam. In Nieuwleusen wilde de gemeenteraad een weg de naam "Scheepsjagersweg" geven. Er kwamen veel protesten. De naam van deze weg is nu "Jagersweg". Toch was er weinig verschil met andere beroepen in die tijd, denk ik. De meeste scheepsjagers hadden een klein boerderijtje met een beetje land. Moeder de vrouw runde dit meestal met de oudste kinderen. De man werkte ook wel mee maar ging ook, als het even kon, schepen jagen voor een goede bijverdienste. In Twente gingen de keuterboertjes naar de textielfabrieken, terwijl in deze omgeving de kleine boeren naar "Holland" trokken om gras te maaien en te hooien. Ook als los arbeider, of als opperman in de bouw gingen ze wel wat bijverdienen. De scheepsjagers hadden de pech dat hun werk dicht bij de weg was en dat er bij iedere sluis een café stond. De verleiding was dus groot en het weer soms bar koud en/of nat. Van hen werd echter wel iedere misstap gezien. Zo ook van Jan Schutte. Jan was scheepsjager en zat op zekere dag na gedane arbeid nog wat na te praten bij Koster, het café nabij Sluis 5. Er waren ook collega's van hem en Jan kwam "an de ruil met zien peerd tegen een wat olde?", maar wel een hele beste aldus de mening van alle aanwezigen. Jan ging met de nieuwe aanwinst "op huus an". Tussen de tramrails was het mooi lopen, "recht toe recht an." Daar ging het tweetal. Het was niet zo ver, ongeveer 800 meter.

 

Het huis waar Jan en Arendje Schutte woonden (Zwolseweg 61).

 

Jan was getrouwd met Arendje v.d. Bult. Toen hij dicht bij huis kwam begon hij te roepen: "Oarntien, Oarntien mu'j nou toch ies zien hoe zo'n mooi peerd ak nou eruild ebbe met oenze vos."
Arendje was al een paar keer naar de weg gelopen en had hem al zien aankomen tussen de tramrails. Zij wist wel hoe laat het was. Ze had de schort al afgedaan, de goeie klompies aan en het witte "kapplen" opgezet. Ze ging hem tegemoet: "In huus ieje lillukke zoeplappe", zei Arendje "en niks gien geruil; wi'j zeker zo'n old peerd en oenze mooie vos weg, daor kump niks van in."
Arendje greep hem 't touw uit de handen en ging driftig stappend met het paard naar Sluis 5. Het witte kapje ging onder het stappen heftig op en neer en ze liep niet tussen de tramrails. Bij de sluis aangekomen bond ze het paard vast en nam de vos weer mee. De daar nog aanwezige jagers hadden wel in de gaten dat ze behoorlijk kwaad was en niemand legde haar dan ook een strobreed in de weg. Arendje ging met hun eigen paard weer naar huis.

Tot slot nog een uitspraak van Pouwel van Piet: "Die rieke boer'n trouwt allemaol mit mekare, urn ut geld bi'j menare te holden, wi'j as scheepsjagers doet det ok maar det is meer um de armoede binnenshuus te holden."
Tot de volgende keer.

Jan Nijensikkens

 

Ga terug