JOODS LEVEN IN OVERIJSSEL

 

Inleiding
Deze tentoonstelling (opgesteld in de hal van het gemeentehuis)  heeft als titel ”Joods leven in Overijssel”, meegekregen. Het is echter niet mogelijk, joods leven, te begrijpen, zonder te weten wat jood en jodendom inhouden. Wie is een jood? Jood is ieder, die een joodse moeder heeft, of is overgegaan tot het jodendom. Het laatste is erg moeilijk. Van joodse zijde is men niet happig op proselieten*. Is het immers al niet moeilijk genoeg om een jood door geboorte te zijn, zoals de jodenvervolgingen de eeuwen door hebben bewezen? Waarom zou een niet-jood zichzelf dit aandoen? Pas als men van joodse zijde overtuigd is geraakt van de oprechte bedoelingen van de toekomstige bekeerling(e) én na intensieve studie van het jodendom, wordt men opgenomen in het joodse volk en dán ook volledig geaccepteerd. Ieder die een joodse moeder heeft is jood(in). De vrouw geeft dus het jood-zijn door. Een reden voor deze regel waren de talrijke progroms, die er de eeuwen door onder de joden werden gehouden. De aanvallers mishandelden en vermoordden de joden niet alleen, maar verkrachtten ook de joodse vrouwen. De kinderen, die uit deze contacten werden geboren, hoorden bij het joodse volk, omdat hun moeder een jodin was.

 

De joden in Overijssel
Schuldbekentenissen uit de 14e eeuw tonen aan, dat er joden in Overijssel woonden. Het waren geldschieters. Niet dat er veel andere beroepen voor joden overbleven. Joden mochten immers geen landbouw bedrijven of toegelaten worden tot een gilde. Tijdens de pestepidemie van 1349 werden veel joden vermoord. Zij kregen de schuld van het uitbreken van deze gevreesde ziekte. De joden zouden de waterbronnen vergiftigd hebben. Ook in Overijssel werden zij vervolgd. In Zwolle werden joden verbrand. Te Deventer -en hoogst waarschijnlijk ook te Kampen- vermoordde men joden. Men vervolgde joden omdat ze zich niet wilden bekeren tot het christendom. De joden werden ervan beschuldigd Jezus van Nazareth niet als Christus te erkennen en schuldig te zijn aan diens kruisdood. De joden moesten daarvoor boeten. Zij hadden dit oordeel over zichzelf afgeroepen. Om dit laatste te ”bewijzen” haalden de vervolgers de veel misbruikte woorden uit het Mattheüs-evangelie aan. Hierin staat geschreven, dat de joden tijdens de veroordeling van Jezus tot de kruisdood riepen: ”Zijn bloed kome over ons en onze kinderen”. De jood werd de zondebok. Joden werden beschuldigd van toverij. Tijdens de middeleeuwen kwam een verschrikkelijk ”bloedsprookje” in omloop. Joden zouden christenkinderen slachten en hun bloed in matses (ongezuurde koeken) voor het Pesachfeest (Paasfeest) gebruiken. Dit sprookje dook ook in latere eeuwen op. Toen Oldenzaalse rooms-katholieken eind 19e eeuw een bedevaart naar Kevelaar (in Duitsland) maakten, hoorden zij het volgende. Een joodse slager in Xanten (dicht bij Kevelaar) had een christenkind geslacht om het bloed te gebruiken met Pesach (later bleek een niet-jood het kind vermoord te hebben!). De Oldenzalers geloofden dit verhaal. Als reactie erop gooiden ze bij thuiskomst in Oldenzaal de ruiten in van hun joodse medeburgers.

 

De synagoge te Dedemsvaart (2e pand van links).

 

De joden in Overijssel tot de burgerlijke gelijkstelling (1796)
Na de vervolgingen in de 14e eeuw is er een tijdlang niets bekend over joden in Overijssel. Pas in de 16e eeuw verbleven er weer enkele joden in Overijssel. Zo kregen twee joodse artsen toestemming zich in Hasselt te vestigen. In de 17e eeuw werden de joden in Overijssel om verschillende redenen geweerd. De stad Deventer hield hen om economische redenen buiten de deur. Wel mochten joodse kooplieden overdag in de stad Deventer venten met lemoenen (een soort citroenen). Zwolle en Kampen daarentegen stonden de joden wel toe binnen hun poorten te wonen en handel te drijven. Het stadsbestuur verwachtte juist economische voordelen. In de kleine plaatsen van Overijssel, zoals Goor en Enschede, woonde in de 17e eeuw een enkele jood. Van gereformeerde zijde trachtte men, om religieuze redenen joden te weren. De kerk was namelijk bevreesd voor massale bekering tot het jodendom. In 1648 nam de Overijsselse synode het besluit volgens art. 53:  ”teghen het incruipen van  de Joden sal een waeckende ooghe gehouden werden” en een jaar later volgens art. 43: ”dat de officieren mochten beletten de publijke besnijdenissen der Joden”.
De joden bleven ”vreemdelingen”, ondanks de milde houding van de overheid in de Republiek in vergelijking met de omringende landen. Het was afhankelijk van de plaatselijke stedelijke overheden, vooral bij vestiging en economisch handelen, hoeveel ruimte men de joden gaf. Vandaar de afwijkende houding t.o.v. de joden van de drie IJsselsteden: Zwolle, Kampen en Deventer. Deventer, dat zelfs geen joden toeliet, terwijl de stadsbesturen van Zwolle en Kampen hen bepaalde rechten verleenden. Zwolle gaf aan enige joden het klein-burgerschap en Kampen verleende tevens aan joden het groot-burgerschap. Het klein-burgerschap gaf recht op toetreding tot een gilde. Zo is bekend dat ene Samuel Levi, in de 18e eeuw het klein-burgerschap voor f 35,- kocht van de stad Zwolle. Hij moest er evenveel voor betalen als een niet-jood. Het grootburgerschap, dat verworven kon worden voor f 140,- en twee brandemmers, is nooit aan een Zwolse jood verleend. Wel in Kampen, daar werden in 1795, Levi Elias, Elias Levi en S.D. Stibbe grootburger en de weduwe Marcus Jacob groot-burgeres. Het groot-burgerschap gaf recht op het gebruik van de stadsweiden en de verkiesbaarheid tot de magistratuur. De rechten verbonden aan het groot-burgerschap zijn voor joden dode letters geweest. Immers zij mochten geen landbouwers zijn en ook niet deelnemen in een stadsbestuur. In tegenstelling tot hun achterstand op politiek en economisch gebied, konden de joden hun religie vrijuit belijden. Slechts enkele knelpunten inzake huwelijkswetgeving en begraven zorgden voor controverses tussen stadsbestuur en joodse gemeenschap. In het joodse huwelijksrecht was bijvoorbeeld toegestaan dat een oom zijn nicht huwde, wat in Nederland verboden was. Wat het begraven betrof, schreef de joodse religie voor om binnen 24 uur te begraven, terwijl het stadsbestuur bang was schijndoden te begraven. De rechtspraak in de Republiek was ten opzichte van de Israëlieten onpartijdig. Joden durfden een beroep op haar te doen in zaken waar niet-joden bij betrokken waren en in onderlinge geschillen. In de 18e eeuw woonden er joden in: Almelo, Blokzijl, Borne, Denekamp, Delden, Diepenheim, Goor, Haaksbergen, Hardenberg, Hasselt, Hengelo, Kampen, Losser, Markelo, Oldenzaal, Ommen, Ootmarsum, Raalte, Rijssen, Wijhe en Zwolle. Aan het einde van de 18e eeuw vormden zich hieruit zeven joodse gemeenten, Zwolle, Kampen, Steenwijk, Blokzijl, Zwartsluis, Oldenzaal en Goor. Zij bezaten een eigen sjoel, begraafplaats en verzorgden godsdienstig onderwijs. Zij leefden van handel en nijverheid. De joden in het westen waren meer gericht op Amsterdam en die in het oosten voornamelijk op Duitsland.

 

Het voorspel tot de tweede wereldoorlog
In het begin van de jaren dertig vluchtten joden uit angst voor het groeiend anti-semitisme uit Duitsland naar Nederland. Na de Kristallnacht nam hun aantal sterk toe. De Nederlandse overheid trachtte zoveel mogelijk de toevloed van joden in te dammen, zowel uit economische als uit politieke motieven. Teveel vluchtelingen zou de werkeloosheid in Nederland doen toenemen en daardoor de economische toestand doen verslechteren. Als Nederland een soepeler toelatingsbeleid zou gaan voeren en de omringende landen niet, dan zou het door joodse vluchtelingen overstroomd worden. onder de vluchtelingen bevonden zich alleenstaande kinderen. Deze arriveerden in Nederland met speciale kindertransporten. Schrijnend zijn de brieven van de joods-Duitse ouders, die zich richtten tot de joodse hulporganisaties in Nederland, om hen zo van de dood te kunnen redden. opperrabbijn Hirsch deed een klemmend beroep op joodse gezinnen om de kinderen op te nemen, zodat deze hun joodse identiteit niet zouden verliezen. Uiteindelijk vestigden zich ruim 15.000 joodse vluchtelingen uit Duitsland in Nederland. De Nederlandse joden stonden borg voor hun levensonderhoud en de overheid bouwde (betaald met joods geld) het kamp Westerbork voor hen.

 

De tweede wereldoorlog 
Het grootste gedeelte van de Nederlandse joden is vermoord in de gaskamers van Auschwitz en Sobibor. Zij werden omgebracht alleen omdat ze jood waren. Nederland, eeuwenlang wijkplaats voor joden, kon na de oorlog bogen op het trieste record van 82% omgekomen joden. Van de ongeveer 140.000 joden in Nederland bleven er 25.000 in leven. Na Polen telde Nederland het hoogste aantal joodse slachtoffers in Europa (Duitsland kon bogen op 80%). Hoe is dat mogelijk geweest? Zaken die zeker daarin meegespeeld hebben zijn: de overname van het Nederlandse bestuur (vacant door de vlucht van de regering naar Engeland) door een Duits burgerlijk bestuur met sterke S.S. invloeden; het meewerken van de bevolking en ambtenarenapparaat aan de uitvoering van Duitse maatregelen tegen de joden zoals de Ariërverklaring (vooral in de eerste jaren van de oorlog); de integratie van de joden in de Nederlandse samenleving en het zich daarvoor veilig voelen van de joodse groepering (ten onrechte) in die gemeenschap.

 

Besluit
Een klein deel van de joden in Nederland overleefde de oorlog. De meesten, omdat ”goede” Nederlanders de moed hadden gevonden hen met gevaar voor eigen leven te verbergen. Weinigen keerden uit de kampen terug. Niet alle Nederlanders waren verheugd hun joodse medeburgers terug te zien. Weer opgedoken joden konden soms met moeite hun in bewaring gegeven goederen terugkrijgen. Er deed in die dagen een naar gezegde de ronde: ”de verkeerde joden zijn teruggekeerd”. Zo kreeg Nederland te maken met het zichtbaar worden van een altijd latent gebleven antisemitisme, zij het in lichte mate. Wellicht mede door invloed van de doorwerking van anti-semitische Duitse propaganda tijdens de oorlog. Veel joden vertrokken na de oorlog naar Palestina; eerst illegaal en na het uitroepen in 1948 van de staat Israël, legaal. Anderen emigreerden naar Amerika. Er is weinig overgebleven van de joden in Overijssel. Hoe weinig is niet bekend. Van joodse zijde wil men zich lang niet altijd als jood laten registreren. Secularisatie grijpt ook in het jodendom om zich heen. Lang niet iedere jood is nog automatisch lid van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap. Joodse gemeenten in Overijssel zoals voor de oorlog bestaan niet meer. In Almelo en Enschede zijn wekelijks diensten. Zwolle, dat een impuls heeft gekregen door de her-inwijding van de gerestaureerde sjoel, streeft naar bijeenkomsten van eens in de veertien dagen. Het is elke keer opnieuw een moeilijke zaak voor de joodse gemeente om het minjan* vol te krijgen. De Nederlands Israëlitische Gemeente van Deventer bestaat slechts juridisch. Bloeiend joods leven in Overijssel: het is niet meer .....

 

Verklarende woordenlijst
Proselieten: bekeerlingen tot het jodendom.
Progroms: vervolgingen van joden, gepaard gaande met plundering, verkrachting en moord.
Minjan: om een dienst volledig te kunnen houden met kaddiesj* zeggen en alle andere formulieren waarin de heiliging van Gods naam centraal staat alsook de priesterzegen, heeft men tien, voor de joodse wet meerderjarige mannen nodig.
Kaddiesj: inwijdingstekst op sjabbat.

 

Bronvermelding:
Overgenomen uit het artikel: "Joodsleven in Overijssel" geschreven door Drs. Iet Erdtsieck.

 

 

Ga terug