TIMMERMAN OP DE SCHEEPSWERF VAN MITTENDORFF

 

Uit de neergeschreven herinneringen van mijn vader, Th.H. Padberg (1902‑2000)

 

Het moet 1923 geweest zijn, toen ik zonder werk raakte. Via een tip van onze overbuurman kwam ik terecht bij de werf van Mittendorff om daar Dolf en Jannes Wibier te helpen een grote, nieuwe schuur te bouwen. Die schuur zou gebruikt worden voor het afschrijven van spanten en platen voor nieuwe schepen.

Na ongeveer vier weken was de schuur klaar. Omdat Mittendorff maar één timmerman had voor het werk aan de schepen, moest Koehorst, zijn scheepstimmerman in vaste dienst, er eigenlijk hulp bij hebben. Ze vroegen mij om op de werf te blijven als hulp voor Koehorst, wat ik dan ook deed, omdat het slap was in de bouw. Het was goed dat ik weer eens vast werk kreeg, al ging ik dan ook in loon achteruit. Van de ene baas naar de andere was maar niks. Ik was toen gewend om 55 cent per uur te verdienen, maar ik moest terug naar 38 cent per uur.

Met het helpen bouwen van de schuur erbij gerekend, ben ik een klein jaar bij Mittendorff geweest. De eerste maanden heb ik samen gewerkt met Koehorst; in zijn vak was hij heel erg goed. Hij wist van schepen alles af. Ik heb daar wel het nodige geleerd.

 

 

 

 

 

 

 

"Onderneming". Eén van de oudst bekende bij Mittendorff gebouwde schepen.

 

Scheepsbetimmering

Als er een nieuw schip beschoten (betimmerd) moest worden, werd er begonnen met het leggen van de houten vloer in de roef. Drie nieuw gebouwde ijzeren schepen heb ik daar helpen "beschieten". Omdat er toen op de werf  veel reparatiewerk was, was ik vaak op mezelf aangewezen. Koehorst hielp mij dan eerst op gang. Beschieten is een vak op zich. Al het ijzerwerk was door een paar arbeiders van de werf zgn. ontroest en ingesmeerd met afgewerkte olie.

Het eerste schip waarop ik werkte was voor rekening van K. Uiterwijk en heette "Verwisseling Avereest". Een schip van ongeveer 150 ton. Daarna een schip voor de heer Panjer uit Oldebekoop en vervolgens een klein schip voor Bertus van Engen, een broer van Klaas van Engen, die een café had naast het voormalige gemeentehuis aan de Moerheimstraat.

De eerstgenoemde schepen werden grotendeels "beschoten" met blank, Amerikaans grenen hout, dat van Van Engen met vurenhout.

Als je (in de roef) begon, lagen de schepen nog niet in het water: ze stonden op stapel. Na verloop van een week was mijn werkkleding eigenlijk te vies om aan te pakken, het was allemaal olie. Met goed fatsoen kon je niet bij een kachel gaan zitten: het ging dan vreselijk stinken!

Het beschieten was een heel apart werk. Het moest zo gebeuren dat alles wat in de onmiddellijke nabijheid van ijzer zat , los genomen kon worden om er ge-makkelijk bij te kunnen komen, als de boel weer eens ontroest moest worden. Niets was er haaks of  "in het lood". Het "loden" deed Koehorst met een touwtje waar een stukje ijzer aan hing. Bijna alles gebeurde op het oog. Veel heb ik toen van hem opgestoken. Als hij bezig was, dan was het: "Wat dunkt oe, 't mut er een beetien op liek'n. Van boven is 't wel goed. Wi'j zult ies kiek'n oe 't van onder'n  uutkomp".

Omdat het schip nog niet afgeklonken was, was  het heel lawaaierig, men kon elkaar bijna niet verstaan. Bijna al het personeel had dan ook een plukje watten in de oren; gewoon praten met elkaar was er niet bij; iedereen schreeuwde tegen elkaar. Veel personeel was of werd op de werven vroeg doof. Dit is ook voor mij één van de redenen geweest om daar na een jaartje weg te gaan. Bovendien had ik er genoeg van om in de vieze olie rond te moeten kruipen.

 

28 personeelsleden

In totaal werkten we met ongeveer 28 mensen op de werf. Er waren, voor zover ik dat kon beoordelen, flinke vaklieden bij. Zij die met het plaatwerk bezig waren, hadden een leerling of opgeschoten jongen bij zich, omdat men dat niet alleen kon doen. Onder die jongeren had men allerlei onverschillige knapen, die het totaal niets kon schelen. Ze wilden wel graag geld verdienen, maar er niet teveel voor doen.

Tijdens de bouw van de nieuwe schuur hadden de gebroeders Mittendorff een nieuwe regeling ingevoerd. Omdat de werf een open terrein was, was het moeilijk te controleren of er 's morgens door allen op tijd werd begonnen. Vooral de aankomelingen kwamen soms langs slinkse wegen meer dan een kwartier te laat op het werk. Toen ik er begon, ging er 's  morgens om half acht een bel. Men moest dan door een brievenbus een werkbriefje doen, waarop stond waar men de vorige dag aan had gewerkt. De baas pikte deze briefjes op en kon zodoende zien wie er wel of niet was. Wie te laat was, moest een kwartje boete betalen. Dat werd van het loon afgehouden. De aankomende medewerkers verdienden op z'n hoogst een kwartje per uur. Als ze wisten dat ze 's morgens boete hadden gekregen, waren ze de hele dag, zoveel ze konden, aan het lijntrekken. Men kon het "balen" van hun gezicht aflezen.

Ook werkten er flinke kerels o.a. de smid Koos Bos, de plaatwerkers Jans Bos en Petrus Hendriks (een oudere broer van de rijwielhandelaar Hendrik Hendriks aan de Langewijk), de klinkers Bart Vrielink en Herman Scholte en Dries Koehorst.

 

 

De werkomstandigheden

De werkplaatsen waren van hout. De zgn. grote schuur was ongeveer vijftien à twintig meter lang en ca. tien meter breed, gedekt met pannen die bij een aanhoudende regen erg lekten. Ramen en deuren scheef gezakt en alles erg tochtig. De vloer was van vastgelopen grond, dus onverhard. In de schuur stonden twee zware handponsmachines voor het ponsen van de kleine klinknagelgaten in het ijzer en een gelegenheid om platen op maat te knippen en te buigen. Dit gebeurde met de hamer door ze te rekken. Vooral Van de Kolk, Jans Bos en Petrus Hendriks waren daarin meesters.

Aan de achterzijde van deze schuur en haaks erop stond de nieuwe schuur, die ik had helpen bouwen. Daarin was een vloer van Amerikaans grenen hout, ongeveer 4 cm dik, gelegd. Nog iets verder naar achteren was de timmermanswerkplaats, groot ongeveer negen bij vijf meter, met onvoldoende en tochtende ramen. Ook stonden daar enige machines, aangedreven door een electromotor met voordrijfwerk, een vlakbank en een lintzaag. Als ze beide tegelijkertijd in gebruik waren, stond alles te kraken en te schudden.

De baas, Mannes Mittendorff, kreeg in die tijd verkering in Zwolle met de dochter van een grote aannemer (de heer Sluiter), dezelfde aannemer die in 1929 de R.K. kerk aan de Langewijk heeft verbouwd. Deze zorgde ervoor dat er een mooie, zware, gecombineerde vlak‑ en van‑dikte‑bank  met zelf‑aandrijving kwam. Deze werd in de grote schuur geplaatst, op enige afstand van de timmermanswerkplaats.

 

Een bijna ongeluk

Eens kreeg ik bijna een ongeluk. Voor scheepsluiken moest ik eiken klampen maken. Deze klampen waren van inlands eikenhout, dus beroerd hout om teverwerken. De beitelas was niet beschermd, ik was druk bezig en de oude vlakbank stond te trillen op de veel te lichte fundering. Op een gegeven ogenblik zag ik dat de bank niet goed werkte: de beitels "sloegen" onregelmatig en het trillen van de bank werd erger. Met een onwillekeurige beweging deed ik een stap opzij, dit was achteraf gezien mijn geluk. Opeens een harde klap, de beitels sloegen uit de as waarin zij bevestigd waren, de riem vloog met een klap van de poelie, alles stond eensklaps stil. Stukken van de beitels waren door de houten achterwand van de werkplaats gevlogen. Ik was maar net de dans ontsprongen!

Het in de grote schuur werkzaam zijnde personeel kwam haastig aangelopen, geschrokken door de harde klap en het plotselinge stilstaan van de machine. Ook de baas kwam erbij en zei: "Gefeliciteerd, je had wel dood kunnen wezen". De boel is hersteld en later liep de bank stukken beter. Arbeids-inspectie was er toen misschien al wel, maar die hebben wij nooit gezien.

Wel werd de  zaak wat gemoderniseerd. Er kwam een zware, elektrische handboormachine, die echter in korte tijd overbelast werd en stuk ging. Ook kwamen er lichtpunten en stopcontacten; de ouderwetse olielampen moesten plaats maken voor elektrische verlichting. Het terrein van de werf, waar men in het duister bijna zijn nek zou breken over de rommel die nooit werd opgeruimd, kreeg enige lichtpunten. Een installatie, zoals die tegenwoordig is voorgeschreven, was het niet: alles van gewone, electirsche bedrading, zoals men die nu door de buizen trekt. Met slecht weer, regen en wind, lagen deze draden gewoon door de plassen. Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat dat toen zomaar mocht en dat er geen ongelukken door gebeurd zijn. Nooit is er bij mijn weten een instantie geweest om eens poolshoogte te nemen.

 

Een nieuwe vlakband

Enige tijd na het ongeluk met de vlakband werd de nieuwe vlak‑ en van‑diktebank opgesteld. Voor het schip van Uiterwijk moesten de planken voor de luiken aan de onderzijde worden geschaafd. Dit werkje moest ik dan maar doen, omdat ik bij mijn vorige baas, Tibben, al eens met zo'n machine had gewerkt. Het moet gezegd, de bank liep mooi rustig, maar de "van‑dikte" werkte niet. De baas had voor deze gelegenheid zijn aanstaande schoonvader, die voor deze machine had gezorgd en de heren die de elektrische voorzieningen hadden aangelegd, uitgenodigd.

Zelf heb ik mij daar enige uren onder al deze toeziende ogen, zoals men dat noemt, uit de naad moeten werken, maar ik heb er in zoverre plezier aan beleefd, dat mijn prestatie naar genoegen was. Nadien werd het oude vlakbankje bijna niet meer gebruikt.

 

Ontslag

Voor de winter inviel waren de ruiten in de oude ramen van de werkplaatsen hersteld en werd er wat oude rommel gespijkerd over de ergste naden tussen de planken. Vooral de klinkers hadden het niet te best: de hele dag in een snijdende koude wind te moeten staan werken, valt niet mee. Vorstverlet of onwerkbaar weer was in die tijd nog niet uitgevonden! Toch was er toen bijna nooit ziekteverzuim. Als men zich wat kouwelijk voelde of niet lekker, nam men 's avonds een paar flinke borrels of wat anijsmelk en de volgende morgen was men weer het heertje.

 

In de loop van het daaropvolgende najaar sprak ik Herman Haverkort uit Slagharen. Hij had nogal wat werk en vroeg mij of ik hem wilde helpen. Op de werf had ik het inmiddels wel bekeken: Ik begon al een beetje hardhorig te worden en de vieze olie was ik beu.

Zodoende heb ik maar ontslag genomen en ben ik naar Slagharen gegaan.

 

G.M.M. Padberg

 

Ga terug