Oude beroepen en hun beoefenaars

 

Uit de herinneringen van Th. H. Padberg (1902) wonende te Avondlicht

 

De baanvegers

Wanneer er 's winters in de vaart en in de wijken betrouwbaar en berijdbaar ijs was, maakte men hiervan gebruik om op bezoek te gaan bij de verder afwonende kennissen en familieleden. Zelf gingen wij in onze jonge jaren wel eens op de schaats naar Slagharen en De Krim, of naar Balkbrug en een enkele keer tot aan Den Hulst.

Het kanaal was door de gemeente verdeeld in blokken, zoals bijv. van Sluis 6 tot de brug bij ”Vredehoeve”, vandaar tot ”Padberg’s-Brugje”, (het bruggetje bij de zuivelfabriek), hier vandaan tot de bocht bij ”Tottenham” en vandaar tot Sluis 7.

Zo was het kanaal langs de Moerheimstraat, Hoofdvaart en Langewijk ook verdeeld.

Elk gedeelte had zijn eigen baanveger. Niet alleen in onze gemeente, maar ook in de aangrenzende gemeenten was dat in grote lijnen zo. Door de gemeenten waren min of meer vaste baanvegers aangesteld, die herkenbaar waren aan een embleem, door de gemeente verstrekt. In de loop van de voormiddag, maar dat hing af van de omstandigheden (werd er veel of weinig gereden, lag er weinig of veel sneeuw, was het bitter koud of was het mooi schaatsweer) gingen de baanvegers, gewapend met een zelf gemaakte bezem van rijshout (”riezebessem”) naar het hun toegewezen gedeelte om de baan te vegen.

 

Wat voor mensen waren deze baanvegers? Het waren meestal vaders van grote gezinnen, die vanwege de winter niet konden werken. Meestal losse arbeiders, die werkten waar werk was en daardoor een onregelmatig inkomen hadden. Als er dan een lange winter met veel vorst en sneeuw was, hadden deze gezinnen het zwaar te verduren.

De baanveger had geen werkgever, zoals er wel eens door enkelen gedacht werd. Nee, ze kregen vergunning van de gemeente om een bepaald baanvak te vegen. Hoe ze aan hun trekken moesten komen, moesten ze zelf maar oplossen. Welnu, dat was zeer eenvoudig. Ze stonden, gewapend met de bezem, aan het begin- of eindpunt van hun baan. Wanneer het druk op het ijs begon te worden, zorgden ze ervoor dat, waar ze stonden, een stuk baan mooi schoon geveegd was, om zo de mensen tot geven te bewegen. Een mooi beroep? Vergeet het maar! Je zult maar eens een week of langer in de kou staan te kleumen met een natte neus en een bezem in de hand.

Vooral op namiddagen kon het, als alles meewerkte, druk op het ijs zijn. Als er dan een baanveger stond, kreeg die in de meeste gevallen, al naar gelang hoe schoon de baan geveegd was, een paar centen, een stuiver of zelfs een dubbeltje in de hand gestopt. Dat wilde dan nog wel eens ”aantikken”, zodat er vóór de baanveger naar huis ging, er ook nog een borrel af kon, die in die tijd vijf of zes cent kostte.

 

Café Padberg, Sluis VI, winter 1906-1907. Staand v.l.n.r. Maria Gesina Koorman (1871-1941) e.v. A.H. Padberg, draagt Anna Aleida Padberg (1906), dan Theodorus Herman Padberg (1902), Herman Gerhard Padberg (1904-1947), Albertus Henricis Padberg (1873-1909), dhr. Strijker, dhr. Kieft, dhr. Hendriks, Harm Veldman, dhr. Kieft. Zittend op de wipkar met palen van de ijsbaan "De Jeugd"; A. Kisteman.

 

Aan Sluis 6 was rond 1900 een ijsvereniging, deze heette ”De Jeugd”. Hiervan is bijgaande foto in mijn bezit. Deze is genomen in de winter van 1906 op 1907 toen bij dooi weer de palen die bij de hardrijderij gebruikt waren, op een boerenwagen werden teruggebracht.

Vaag kan ik mij herinneren (ik was toen vier of vijf jaar oud) dat bij gelegenheid van deze hardrijderij er 's avonds in ons café muziek was. De muzikanten zaten te spelen op het met planken afgedekte biljart, dat tegen de achtermuur van het café was geschoven om meer ruimte te hebben. De muziek was, zoals wij toen zeiden ”hoornmuziek”. Ook herinner ik mij nog dat moeder danste. Dat ik dit nog weet komt, omdat mijn broer Herman en ik sliepen in een bedstee in de kamer naast het café. Door het lawaai van de muziek, de dansende paren enz. ben ik zeker wakker geworden en heb ik om de hoek van de cafédeur gekeken.

Deze ijsvereniging is opgeheven toen ik een jongen van ongeveer tien jaar oud was. Omdat ik thuis de oudste was en vader al was overleden, nam moeder mij in vertrouwen en zei: ”Vanavond is er bij ons in de kamer vergadering van de ijsclub. Nu ga je in een hoek van de kamer zitten en dan moet je goed opletten en acht geven op alles wat er wordt gezegd. Er is nog geld in de kas, en ik wil weten waar dat blijft. En ik wil ook weten wie het grootste woord heeft. Als ze je vragen waarom je hier zit, dan zeg je maar dat moeder je dat heeft besteld.” Ze hebben, waar ik bij was,  de ijsvereniging ontbonden en moeder heeft haar deel gekregen. Ook weet ik nog precies, wie het grootste woord had, maar het is hier niet de plaats dit te verklappen!

 

Th. H. Padberg

 

Ga terug