OUDE BEROEPEN EN HUN BEOEFENAARS

 

Uit de herinneringen van Th. H. Padberg (1902) wonende in zorgcentrum “Avondlicht”.

 

De brandweer

Toen mijn vader nog leefde (hij stierf in 1909) hing er bij ons thuis in de schoen-makerij aan de muur de brandhoorn. Dat was zoiets als een schippershoorn, maar dan wat gebogen. Als er dan ergens brand uitbrak was het de taak van mijn vader om, toeterende op de brandhoorn, op de fiets de straat op te gaan. Zo maakte hij de mensen er opmerkzaam op dat er ergens brand was en waarschuwde degenen die de brandspuit hielpen bedienen, dat ze direct moesten komen. Dan was er een brandmeester belast met de leiding van bluswerkzaamheden, tijdens en na de brand. Wie dat in mijn kleuterjaren was, weet ik niet. In mijn schooljaren en daarna was het de directeur van de zuivelfabriek “Op hoop van zegen”, de heer E. Pepping. Dan was er de spuitmeester, Garriet Wierbos, wonende aan de Rollepaal te Sluis 6. Er waren er één of twee die voor de slangen zorgden en een man of acht om de spuit, een geval op vier houten wielen, die iets groter waren dan een kruiwagenrad, naar de plaats des onheils te rijden en die dan ook om beurten moesten pompen. Alles heel primitief, zoals dat vroeger was.

Aan de oostzijde van de onderwijzerswoning van de openbare school te Sluis 6 staat nog altijd het gebouwtje dat tot in de dertiger jaren dienst deed als brand-spuithuisje en waar, tot na de eerste wereldoorlog, ook nog een cachot was ingericht.

Voor het drogen van de slangen na een brand waren er langs de weg palen geplaatst, op onderlinge afstand van ca. 6 meter, met dwarslatjes waarop de slangen te drogen werden gelegd. Als er een flinke uitslaande brand was, kon men ervan op aan dat alles afbrandde. De spuit gaf te weinig water,  hij was te klein, en vóór er een tweede spuit aanwezig was, viel er gewoonlijk al niets meer te redden. De vrijwilligers bij de brandweer, die min of meer een vaste kern vormden, hielpen graag mee: Het  gaf wat extra geld dat men meestal goed kon gebruiken, vaak een goede borrel erbij en er was in de vaak eentonige tredmolen van alledag weer eens wat leven en sensatie, waarover nog lang nadien werd nagepraat.

 

Onderhouden van de straatverlichting.

 

Mijn grootvader Theodorus Padberg (1848-1934), die woonde aan de overzijde van het kanaal en tegenover de zuivelfabriek, onderhield voor de gemeente de straatverlichting vanaf Sluis 7 tot en met het dorp. In die tijd,  en dat heeft voor Dedemsvaart geduurd tot ongeveer 1920, had men als straatverlichting bij de kruispunten en langs de hoofdwegen petroleumlantaarns staan op afstanden van zo’n 80 tot 100 meter of meer uit elkaar. Deze lantaarns waren geplaatst op houten palen, voorzien van een dwarsklampje waartegen de lantaarnopsteker zijn laddertje kon plaatsen voor het ontsteken en uitblazen van de lantaarn. Deze lantaarns gaven maar weinig licht, ze waren meer bedoeld als bakens waarop men zich kon richten en oriënteren.

Naast mijn grootvader woonde de brugdraaier Gerrit Gort, die ook lantaarn-opsteker was. Hij had zijn route langs het tegen-woordige Rheezerend. De lantaarns werden aangestoken als het donker begon te worden. Gewoonlijk werd Gort daarbij geholpen door één van zijn kinderen, want hij moest zorgen dat de glazen schoon waren en dat er voldoende petroleum in de peer was. Als het ’s avonds goed half tien was, begon Gort met het uitblazen van de lantaarns, zodat hij tegen ongeveer half elf weer thuis kon zijn. Nu lijkt het werk van lantaarn-opsteker simpel en gemakkelijk en als het goed weer was met weinig of geen wind, dan was het dat ook. Helaas was het vaak slecht weer en dan geef ik het te doen om met veel wind en regen, of in een harde, koude vrieswind dit werk te verrichten. Daarbij kwam nog dat er vroeger (misschien niet zo erg als tegenwoordig) ook straatslijpers en baldadige jongelui waren, die er behagen in schepten om andere mensen het leven zuur te maken. Als er dan een paar van die knapen bijeen waren, ging er één bok staan, een andere daar bovenop, de brander van de lamp werd hoog opgedraaid en alles was in korte tijd zo zwart als roet. Gort moest dan maar zorgen dat hij de zaak weer schoon kreeg.

De straatverlichting brandde alleen maar gedurende de wintermaanden. Dat kon toen ook: fietsers waren er 's avonds bijna niet aan de weg en de mensen hadden lange arbeidsdagen. Veel behoefte om 's avonds van huis te gaan had men niet, als men in de winter 's avonds de deur uitging bleef men meestal in de buurt om te praten, nieuwtjes te vertellen of een kaartje te leggen. Gewoonlijk was men dan zo rond tien uur weer thuis, want de volgende morgen was het weer vroeg dag.

Als het straatverlichtingsseizoen in het voorjaar achter de rug was, kwam grootvader in actie. Hoe het precies in elkaar zal weet ik niet, ik denk dat hij het onderhoud voor een bepaald bedrag had aan-genomen, in elk geval voeren ze dan met een bokschuit langs de straatverlichting, haalden de lantaarns van de palen af en laadden deze in de schuit. Als alles eraf was, werden de lantaarn bij grootvader opgeslagen. Tegen het najaar, als de verlichting weer moest branden, moest alles gerepareerd en vernieuwd zijn en ook weer geplaatst worden. Hoe lang grootvader dit werk deed weet ik niet, het zal denk ik tot de eerste wereldoorlog zijn geweest.

 

Th.H. Padberg

 

Ga terug