REGELS VOOR BEROEPS- EN AMATEUR-ARCHEOLOGEN

 

In het archeologisch bedrijf wordt de bodem beschouwd en aangeduid als het bodemarchief. Uit die bodem haalt de archeoloog immers zijn informatie over het verleden, zoals de historicus zijn informatie haalt uit de geschreven (en getekende) bronnen. Om die reden worden de bronnen van archeologen en historici in zekere mate beschermd. Vele van belang zijnde geschiedkundige bronnen vallen onder de archiefwet. In de praktijk houdt dat in, dat zo veel mogelijk de geschiedkundige gegevens in een aantal archieven bijeen zijn gebracht, waar zij op lange termijn vakkundig worden bewaard en te raadplegen zijn. Het bodemarchief echter moet blijven liggen waar het ligt. Een heel klein deel ervan, dat een min of meer bekende oudheidkundige waarde heeft, is beschermd volgens de Monumentenwet. De aanwijzing van deze archeologische monumenten valt onder verantwoordelijkheid van de Minister van WVC, waarbij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in Amersfoort de uitvoerende instantie is. De beschermde monumenten worden in principe slechts opgegraven in uiterste noodzaak en als de Minister daarvoor zijn toestemming geeft. De zichtbare archeologische monumenten worden na eventueel onderzoek zo mogelijk gerestaureerd om hen als cultuurmonumenten in het landschap te behouden, bijvoorbeeld de hunebedden.

 

Buiten de wettelijk beschermde archeologische monumenten zijn er nog vele andere bekende terreinen, die archeologische waarde bezitten. Het zijn de zogenaamde meldings- en attentiegebieden. Het behoort tot de taak van de provinciaal-archeologen om deze verschillende nuances van het oudheidkundig belang aan te geven en om daar vervolgens rekening mee te houden. Bij iedere aantasting van het bodemarchief (bijv. bij nieuwbouw en ruilverkaveling) en zeker bij iedere archeologische activiteit dient de provinciaal-archeoloog dan ook na te gaan wat de consequenties (kunnen) zijn voor het bodemarchief. Wanneer een gemeente beschikt over een eigen gekwalificeerde stadsarcheoloog, dan zal deze gemeentelijke functionaris of zelf of via de provinciaal-archeoloog zich dienen te vergewissen van eventuele (te voorziene) schade aan het bodemarchief binnen die gemeente. Om bovengenoemde redenen van monumentenzorg mag geen enkele opgraving worden uitgevoerd buiten medeweten van de ROB, welke dienst onder meer fungeert als het archeologisch documentatiecentrum in Nederland. Ten aanzien van opgravingen zijn twee voorwaarden van toepassing. Zij luiden:

1. Het opgravende instituut of de opgravende dienst dient zich vóór de aanvang van elk onderzoek ervan te vergewissen of op het te onderzoeken terrein bescherming ingevolge de Monumentenwet rust;

2. Van elk onderzoek dient met opgave van de plaats vóór de aanvang van de werkzaamheden kennis te worden gegeven aan de directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort.

Deze voorwaarden vloeien voort uit de wettelijk geregelde opgravingsbevoegdheid. De Minister van WVC heeft daartoe een aantal instellingen aangewezen. De opgravingsbevoegdheid is echter ondergeschikt aan de archeologische monumentenzorg. Tot opgraven bevoegde instanties dienen zich dus steeds vooraf te beraden over de consequenties van de ingrepen in het bodemarchief. Onder die consequenties vallen met name de noodzaak van de ingreep, de (te verwachten) kwaliteit en betrouwbaarheid van de op te tekenen grond sporen, de toegankelijkheid en de eindbestemming van de documenten over de opgraving en de eindbestemming van de (te registreren) vondsten. De roerende vondsten worden in principe opgenomen in één der door de Minister aangewezen “depots voor bodemvondsten”. In Overijssel fungeren het Provinciaal Overijssels Museum (POM) te Zwolle en het Rijksmuseum/Oudheidkamer Twente (RMT/OKT) te Enschede als zodanig.

 

Het bodemarchief in Nederland is te groot en bovendien nog in belangrijke mate niet bekend om geheel op bevredigende wijze gecontroleerd te kunnen worden door de aangestelde archeologen (en hun technische medewerkers). Daarom is er steeds ruimte geweest voor amateur-archeologen en incidenteel geïnteresseerden. Een groot en belangrijk deel van de amateur-archeologen is reeds geruime tijd georganiseerd binnen de Archeologische Werkgemeenschap Nederland (AWN), welke vereniging een nauwe band onderhoudt met de ROB. De activiteiten van de amateur-archeologen (met zeer uiteenlopende belangstelling, deskundigheid en actieradius) met directe betrekking tot het bodemarchief zijn als volgt te vermelden:

1.           

Al dan niet toevallig doet hij/zij vondsten of waarnemingen aan liet bodemoppervlak dan wel in vergravingen door derden (b.v. bouwput, geploegde akker). Deze vondsten mogen direct worden verzameld zonder eigen graafactiviteiten. Bedoelde vondsten dienen zo snel mogelijk te worden gemeld aan de ROB (meldingsplicht). Wanneer een toevallige vinder de ROB niet weet “te vinden” schrijft de wet voor, dat de vondst gemeld dient te worden aan de burgemeester van de betreffende gemeente, die dan op zijn beurt onverwijld de ROB verwittigt.
Ten aanzien van het eigendom van deze vondst-categorie is voorgeschreven, dat de vinder en de grondeigenaar (op wiens land de vondst is gedaan) ieder recht hebben op de helft van de waarde van het gevondene. In de praktijk is de geldelijke waarde (dus niet de oudheidkundig-wetenschappelijke waarde) van het merendeel van deze toevals-vondsten gering. In die gevallen wordt de vinder meestal als eigenaar der objecten aangemerkt. Vaak wordt de vinder-eigenaar gevraagd om de vondsten direct of te zijner tijd (liever laat dan nooit) af te staan aan een museum, met name het POM en het RMT /OKT. Alleen in een goed beheerd museum kunnen de archeologische (losse) vondsten en de bijbehorende documentatie over onder meer vindplaats en vondst-omstandigheden op lange termijn beschikbaar blijven. Op deze plaats kan tevens de ”eeuwige onduidelijkheid" bij buitenstaanders worden toegelicht over de vraag wanneer een bepaalde vondst een lokale-, provinciale- of landelijke vondst is. Ten aanzien van de vindplaats van objecten is deze vraagstelling natuurlijk onzinnig, omdat iedere vindplaats tegelijkertijd in den lande, in een provincie en in een gemeente is gelegen. De vraag dient dan ook te gaan over het belang van de vondst, om de oudheidkundige informatie die de vondst biedt. Zo kan de losse vondst van een Jacoba-kannetje of van een (gewone) stenen bijl worden aangemerkt als een vondst van lokaal belang, omdat zo’n vondst weinig nieuwe informatie biedt. In een bepaald verband, bijvoorbeeld door een specifieke associatie met iets anders, kan zo'n vondst echter veel belangrijker zijn en kan dan worden  beschouwd als een vondst van boven-lokaal belang. Dat waardeoordeel kan doorgaans het beste door de vak-archeoloog worden bepaald. Maar hoe (on)belangrijk een archeologische vondst ook moge zijn, vrijwel steeds wordt de opname ervan in een depot voor bodemvondsten (in Overijssel dus POM en RMT) nagestreefd ten behoeve van de toegankelijkheid.

2.

Wanneer archeologische vondsten niet zoals onder punt 1 voor het oprapen liggen, kunnen zij slechts door graafactiviteiten verzameld worden. Dan is er in principe sprake van een opgraving. Zo'n opgraving wordt zoals reeds gezegd, vrijwel uitsluitend uitgevoerd in een direct bedreigd deel van het bodemarchief. In eerste instantie dient de provinciaal-archeoloog of een collega, vaak geassisteerd door enkele amateur-archeologen, zo'n opgraving uit te voeren. Wanneer dat om welke reden dan ook niet goed mogelijk is, kan de archeoloog de uitvoering van de opgraving delegeren aan amateur-archeologen. Bijna steeds betreft dat amateur-archeologen van de AWN, omdat deze vereniging enerzijds veel (nogal) deskundige leden bezit en anderzijds omdat deze vereniging zich inspant voor een juiste instelling van zijn leden. Bij het delegeren van een opgraving staat altijd voorop, dat de deelnemers aan de opgraving niet "voor eigen gewin” hun bijdrage leveren, maar ten dienste van de oudheidkunde werken. De vondsten uit zo'n opgraving worden dan ook gewoonlijk via de verantwoordelijke archeoloog afgedragen aan een depot voor bodemvondsten, alwaar ze ook geëxposeerd kunnen worden. Eenvoudig samengevat kan dus gesteld worden, dat niet kostbare toevals-vondsten van het bodemoppervlak toevallen aan de vinder, die echter wel een meldingsplicht heeft. Daarentegen mogen opgegraven vondsten niet zelf behouden worden. In dat geval dienen amateur-archeologen zich na verkregen toestemming tot opgraven in dienst van de oudheidkunde bezig te weten.

A.D. Verlinde

 

Ga terug