IK BEN STIL NAAR HUIS GEGAAN

 

Arbeidsomstandigheden in het veen van Avereest

 

            1. Inleiding

Op donderdag 3 september 1891 kwam in het raadhuis van Hoogeveen opnieuw de commissie bijeen. Opvallend weinig veenarbeiders werden nu gehoord, slechts twee, terwijl er verder twee verveners, twee fabrikanten en een geneesheer werden ondervraagd. Frederik Nieuwenhuis, 30 jaar oud, turfgraver te Avereest alsmede de 58-jarige Hendrikus van den Berg die turfmaker te Ambt-Ommen was, vertegenwoordigden de veenarbeidende stand. Een werkgeversgetuige was- de Dedemsvaartse vervener Berend Berends jr., die 63 jaar oud was en tevens lid was van de Staten van Overijssel. Ook de 48-jarige Jan Laurens Trip was een gezien figuur. Hij bekleedde de functie van ondervoorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Avereest, naast zijn hoofdwerkzaarnheden als vervener en kalkfabrikant te Dedemsvaart. Ook leden van de familie Minke kwamen aan het woord. Als representant van de oudere generatie verscheen Harmen Johan Marten Minke voor de commissie. Hij was 65 jaar oud en vervener te Dedemsvaart. De jongere generatie werd gerepresenteerd door Bernardus Martinus Minke, 24 jaar, lid van de firma Minke en Kappers, in zijn functie van brikettenfabrikant te Dedemsvaart. Niet rechtstreeks bij de vervening betrokken was de 64-jarige geneesheer Carel Alexander Lodewijk Haberrnehl, die deze functie in Dedemsvaart uitoefende. Behalve deze getuigen werd ook nog dokter Koster gehoord, die echter werkzaam was in de gemeente Ambt-Hardenberg. Zijn getuigenis is opgenomen in het afzonderlijke artikel dat handelt over de arbeidsomstandigheden in de gemeente Ambt-Hardenberg.

 

            2. Arbeiders over hun werk en loon

 

Lokkerig, kwaad werk, maar de baas is best.

Frederik Nieuwenhuis, 30 jaar, is als turfgraver werkzaam bij Arie van Haeringen te Avereest bij wie bij al ”van kinds af aan” is. Hij verricht zijn werk geheel op eigen houtje, zonder maat of knecht. Hij woont ruim een kwartier van de vaart af en moet een uur lopen om op z’n werk te komen. Ook werkt hij veel bij de baas aan huis, welk huis maar een kwartier van zijn woning verwijderd is. ’s Nachts gaat hij wel thuis slapen. Tussen de middag komt hij niet naar huis, ”ik neem mijn boterham mede en ’s avonds gebruik ik niet mijn vrouw warm eten”, zo licht hij toe. Of het werk zwaar is, vraagt de commissie hem. ”Ja”,  antwoordt Nieuwenhuis, ”het werk is erg lokkerig; het is heel zwaar, als men een behoorlijk daggeld maken wil”. Weliswaar heeft hij een stuiver per stok erbij gekregen, maar het goede veen is op en nu moet het veel slechtere veen worden verwerkt. Na afloop van de graaftijd doet Nieuwenhuis wat boerenwerk, haalt grond met een bok, vaart zand en mest en rooit aardappelen. Bij zijn baas is werk genoeg. Over Van Haeringen is hij tevreden. Hij kan het goed vinden met zijn baas, maar ”wij hebben wel eens kwesties, maar van weerskanten wordt het dan weer bijgelegd. Onze baas is een van de besten van de Dedemsvaart”, zo verzekert hij, die ook veel land laat gelijkmaken, wat ’s winters niet kan, want dan zit er vaak vorst in de grond. Op dat land worden eerst aardappelen verbouwd, dan rogge en klaver. Vervolgens wordt er groenland van gemaakt. Per dag kan Nieuwenhuis zo’n zes à zeven stok graven, meer niet, ”want het is kwaad werk”.

 

Een stuiver loonsverhoging
Een dagwerk bestaat uit 45 stok. Ongeveer vijf à zes man kunnen die 45 stok in één dag graven. Eén man doet over een dagwerk dan ongeveer een week. Per stok wordt een kwartje betaald, zodat per week, indien 45 stok wordt gegraven, er f 11,25 wordt verdiend. Vorig jaar werd nog f 0,20 per stok verdiend. De vijf cent loonsverhoging per stok heeft de baas uit eigen beweging toegestaan, ”hij zag, dat wij het noodig hadden”, zo vertelt Nieuwenhuis. Normaliter wordt er niet van tevoren geaccordeerd over het loon, men begint te werken zonder te weten wat men gaat verdienen. Een poosje na het begin zei de baas dat ze f 0,20 zouden gaan verdienen.

”Toen zeiden wij den baas, dat wij het er niet voor konden doen. Hij zou de zaak nagaan en den volgenden dag zeide hij, dat wij f 0,25 per stok zouden ontvangen”. De baas betaalt op rekening. Hij komt ’s vrijdags in het veld en vraagt dan hoeveel geld men nodig heeft. Als het werk helemaal is afgelopen wordt de rest ontvangen. Een onderbaas is er niet. Nieuwenhuis heeft deze winter geen voorschot van de baas gehad, anderen hebben dat wel ontvangen. De baas is daarmee wel scheutig. Zo’n voorschot wordt zowel in winkelwaren als in geld verstrekt. Eerder heeft Nieuwenhuis weleens in winkelwaren een voorschot gehad.

De stok is nu 25 palm lang (= 2,50 meter). Zo’n zes jaar geleden was dat nog 24 palm. Dat scheelt veel in het werk terwijl destijds géén loonsverhoging werd gegeven. Ook de turf zelf is nu forser van omvang, kortom ”het werk is over alle kanten grooter geworden”, zo meldt hij. Nieuwenhuis maakt geen fabrieksturf, dat doet zijn broer wel, die zegt dat het zeer zwaar werk is. De baas zelf meet het werk op. Nieuwenhuis rekent het wel na, hij vergist zich weleens met het opmeten,

de baas doet dat eveneens, ”doch wij kunnen het altijd goed schikken”. Nieuwenhuis is twee jaar getrouwd nu en heeft één kind. Tot dusver kan hij financieel wel rondkomen. Ook heeft hij een schaap gehad, dat echter gestorven is. Nu bezit bij drie geiten, immers ”men moet toch wat mest voor zijn land hebben”.

Tot slot vraagt de commissie aan Nieuwenhuis: ”Hebt gij ons nog iets mede te deelen”. En de turfgraver antwoordt dan: ”Alleen, dat ik een goeden baas heb”, maar, voegt hij eraan toe, er zijn andere bazen die heel slecht betalen. Bij het turfomringen kan dat wel twee dubbeltjes per dag schelen. Lang niet alle lonen zijn dus gelijk, ook al is er een bazenvereniging. Door het bestaan van die vereniging kunnen Nieuwenhuis en anderen niet bij een andere baas gaan werken zonder een toestemmingsbriefje van de huidige baas. Het loon echter ”bepaalt de een zus en de ander zoo”. Soms ook zijn mensen ’s avonds om acht uur nog aan het werk zonder dat zij daar een halve cent loon meer voor ontvangen.

 

 

Het jaarinkomen van een turfmaker

De 58-jarige turfmaker Hendrikus van den Berg, die afkomstig is uit ambt-Ommen, heeft al zes jaar Bernardus Scholten als werkgever. Twee kinderen staan Van den Berg in het werk terzijde, een grote zoon en een kleine jongen van veertien jaar. Zijn vrouw werkt niet mee. Van den Berg is verplicht de turf in het schip te leveren. Als de turf niet van het land komt wordt f 0,35 afgetrokken ”en als zij (die turf) op de hoopstede gebracht is 15 cts”. Die reductie kan weer worden ongedaan gemaakt in het volgende jaar, mits men bij dezelfde baas blijft werken. Van den Berg maakt zo’n 591 tot 800 roeden per jaar en verdient f 0,90 per roede. Die 800 roeden is echter alleen te halen met behulp van een andere arbeider aan wie Van den Berg dan wel f 2,50 per dag betaalt, zodoende heeft hij dan zo’n f 32,- à f 33,- aan extra uitgaven. Daarbij komt dat bij ook voor gereedschap en dergelijke moet zorgen. Per saldo houdt hij dan toch maar een honderd rijksdaalders (= f 250,-) in een jaar aan het werk over. Maar samen met zijn zoon verdient Van den Berg gemiddeld in een jaar zo’n f 500,-. Dit jaar zullen de verdiensten wel veel minder zijn, wat komt door het natte weer dat het werk dubbel zo zwaar maakt waardoor hij een man extra moet betalen. Dat kost 5 stuivers per dag, wat wel weer wordt gecompenseerd door grotere hoeveelheden turf. Zondagswerk verricht hij alleen als het uitzonderlijk droog is, dan wordt er op die dag water over het veen gegooid. Hij weet van tevoren wat hij verdienen gaat. De afrekening is na afloop van het seizoen, hij houdt dan ”niet veel” over omdat bij drie jaar geleden f 100,- aan schulden bij de baas had gemaakt, welke hij kon aflossen dank zij een paar goede jaren. Hij zou er graag wat vee bij willen houden maar is daarvoor niet rijk genoeg. Met twintig à vijfentwintig schapen zou men met de mest de landbouwerij kunnen voortzetten, ”maar de menschen zijn te arm”. De grond bij z’n huis is ook wel groot genoeg om er een paar schapen op te houden ”maar ik heb geen geld om er te koopen”. Hij houdt daarom maar een enkel varkentje. Denkt turfgraver Nieuwenhuis zeker te weten dat elke baas zelf de hoogte van het toon bepaalt, Hendrik van den Berg daarentegen zegt dat alle bazen lid van de vereniging van veenbazen aan de Dedemsvaart zijn, welke vereniging de lonen vaststelt, ook voor het volgend jaar, waardoor de lonen bij alle bazen gelijk zijn.

 

            3. Verveners over werk en loon

 

Overleg met arbeiders? ”Dat zou niet best gaan”

De verveningen van de 65-jarige Harmen Johan Marten Minke liggen hoofdzakelijk in De Krim. Ook heeft hij nog wat veen in Nieuw-Amsterdam. Hij vertelt dat de arbeiders in de herfst nog wel wat werk kunnen vinden, ”in den winter is het slap”, er is dan weinig te doen in de hoge veenderij, men kan hoogstens wat bosgrond en bouwland klaarmaken, hetgeen door het manvolk wordt gedaan. Het vrouwvolk werkt ’s winters niet. Niet duidelijk wordt wat er dan verdiend kan worden. De commissie vraagt namelijk: hoeveel daggeld wordt des winters betaald? Minke antwoordt dan: ”Er wordt veel uitbesteed”.

Twee onderbazen betalen ’s zomers het loon uit. De onderbaas in de lange turf maakt tegen de zaterdag de lijst op en  de betaling geschiedt bij een timmerman aan huis, men kan dan zijn geld krijgen wanneer het ’t best uitkomt. Wat, zo informeert de commissie, kan een flinke arbeider per jaar nu maken? Minke zegt dat dat, ook als hij alleen werkt, wel tussen de f 300,- en f 350,- zijn, ”maar het moet een goede arbeider zijn, die zijn werk goed kent en krachtig is”. Naast arbeiders uit de eigen omgeving , komt er een ”massa (arbeiders) ... achter Zwolle vandaan en uit Friesland”, die komen gewoon op het loon dat door de verveners is vastgesteld. Niemand van die ”vreemden” onderhandelt vooraf over het loon. Ze schrijven alleen van tevoren met hoeveel span men graag wil komen.

Minke vertelt ook over de vereniging  van verveners. ’s Winters houden ze een vergadering waarop het uit te betalen loon voor het komende seizoen wordt vastgesteld. Hiervan wordt via de krant mededeling gedaan. Van overleg hierover met de arbeiders is geen sprake. Het idee alleen al om vooraf overleg te plegen met de arbeiders over dit onderwerp doet hem huiveren, nee, ”dat zou niet best gaan. De eene arbeider denkt er zoo over en een ander weder anders”. Ze komen bovendien van verschillende streken, ”men zou ze niet bij elkander kunnen krijgen”. Minke heeft wel weet van klachten dat er verschillende lonen worden betaald voor het omringen en het vuren maar hij denkt niet dat die klachten terecht zijn, ook al lopen die verschillen volgens de commissie soms wel tot twintig cent op. Misschien wordt wel iets meer gegeven als het gaat om zeer moeilijke percelen, ”vooral bij dit natte weder”, voegt bij eraan toe. Er wordt ”eer bijgegeven dan afgetrokken. Het zou echter in een zeer drogen tijd kunnen zijn, dat men zeide: het kan wel iets minder”.

Wat Minke nog wel dwars zit is de slechte infrastructuur. De Krim is geheel verstoken van een wegverbinding niet Gramsbergen. De dokter kan er nu alleen komen via een omweg over Coevorden of Slagharen, wat een paar uur kost. ”De lijken kunnen ook niet worden vervoerd dan alleen per schip”. Als in een betere weg wordt voorzien dan is dat een wezenlijke vooruitgang. Er zijn ook wel plannen voor zo’n weg, Minke en andere verveners hebben de grond daarvoor gratis aangeboden. Minke wil het werk ook nog wel met zijn volk uitvoeren mits het vergoed wordt. Maar de burgemeester wacht nog op fondsen waaruit het allemaal betaald kan worden.

 

Over de verlenging van de stok

Wat vindt die andere grote vervener, Berend Berends, die ondanks de toevoeging ”jr.” toch al 63 jaar is, van dit soort zaken? Eerst even iets over zijn veenderijen. Die zijn gelegen in Avereest, Ambt-Ommen en Ambt-Hardenberg. Berends heeft zowel hoog- als laagveen, maar het meeste toch is hoogveen. Uit een dagwerk komt tegenwoordig, zo vertelt hij, ongeveer 300 tot 310 ton turf. Toen de stok nog 24 palm lang was, was dat ongeveer 280 ton. Hij zegt dat de verlenging van de stok het werk heeft verzwaard, de turven zijn langer en zwaarder geworden en dus moeilijker te bewerken.

Het loon wordt berekend per dagwerk en per stok. Die stok is nu 25 palm lang (= 2.50 meter). Zesendertig jaar geleden was hij 2.38 meter, later werd dat 2.40 meter en nog weer later 2 1/2 meter. Berends vermoedt dat die laatste verlenging zo’n tien jaar geleden is ingevoerd. Volgens hem is die vergroting gepaard gegaan met loonsverhoging, want vroeger, maar dan doelt hij waarschijnlijk op de tijd in het midden van de jaren 1850, werd veel minder betaald. Hij weet echter niet of gelijktijdig met die allerlaatste palmtoevoeging ook het loon is verhoogd. Zelf werkt Berends met onderbazen, zij zijn ”met alles” belast. Hij heeft nog nooit vernomen van verschil van mening over de opmeting van het gedane werk. De bazen maken de lijst op in verband met de loonbetaling en Berends betaalt ’s zaterdags uit, nadat hij die lijst heeft ingezien.

De commissie refereert aan klachten die inhielden dat mensen tijdens het graven ook het slechter betaalde schepenladen moeten doen. Kan daar niet iets aan gedaan worden? Berends: ”Neen, zij krijgen het werk van ons niet de verplichting tot laden”. Hij zegt wel dat de arbeiders er extra voor worden betaald, maar toont dat niet aan. Hij is van mening dat turfgraven en turfladen onafscheidelijk verbonden zijn. ”Als er niet geladen wordt, kan er ook niet worden gegraven”.

 

Sterke drank, snuisterijen, klontjes, men neemt het er goed van

Berends betaalt f 9,- per dagwerk; voor klijnwerk wordt 18 à 19 cent per stok betaald, hetgeen      f 8,10 per dagwerk oplevert. Een span arbeiders maakt gemiddeld 20 à 25 stok, maar Berends zegt niet per welke tijdseenheid dat is. Niet alle arbeiders komen uit de omgeving van Dedemsvaart, ”het is veel volk van Noordwolde”. Gedurende de graaftijd krijgen de arbeiders een zeker weekgeld, waarna de afrekening na afloop van de graafperiode volgt. Sommigen houden na die afrekening wel wat over. Zoals de vorige week nog: toen werd aan een man en jongen van ongeveer veertien jaar f 87,- uitgekeerd en aan een ander span, een vader en een zoon van 23 jaar, maar f 3,-. Dat laatste span behoorde niet tot een groot gezin. Berends: ”Daarin zit het ook niet, maar in de moeder, in de manier van leven. Sterke drank, snuisterijen, klontjes enz. nemen veel weg. ’s Zondags wordt soms alles opgemaakt”. Er zijn veenarbeiders die, als ze goed verdienen, het er goed van nemen, ”want die spaarzaam zijn, gaan allen vooruit”. En hij geeft hiervan een voorbeeld: een arbeider met vijf kinderen kocht met financiële steun van hem, Berend Berends, een huisje met grond voor f 1000,-. Dat was vijf jaar geleden. Berends schoot de man toen f 500,- voor en verleden jaar heeft die arbeider het gehele bedrag reeds terugbetaald. Maar in het algemeen is toch ”de groote quaestie ... het gebrek aan werk”. Berends zelf bijvoorbeeld had verscheidene werknemers die per dag f 2,50 à f 3,- verdienden, wat toch een mooi loon is. Maar als de graverstijd voorbij is dan wordt het anders, dan slaat de werkloosheid toe. Op dit ogenblik, nu het september is, verdienen ze       f 0,80, en ’s winters slechts f 0,50 à f 0,60 per dag. Is er dan armoede? ”Dat gaat heel goed”, antwoordt de man. Het afgelopen winter heeft hij slechts voor f 150,- aan voorschot gegeven, en andere winters weleens voor f 500,- à f 600,-. Dat komt, ”ze verdienen nog al goed, en de arbeiders zijn veel meer solide geworden; zij verbouwen zelfs wat; en zij die dat doen, leven heel gemakkelijk”.

 

Gevraagd: kapitaal voor de landbouw

Werkloosheid zou niet nodig hoeven zijn. Berends: ”Er zou werk genoeg te vinden zijn aan het cultiveeren van den uitgeveenden dalgrond, maar er is geen kapitaal genoeg”. Daarbij levert de ontginning  van dalgronden zeer goede financiële uitkomsten op. Berends rekent de commissie voor dat een zwager van hem een stuk grond heeft gekocht voor f 50,-. Hij heeft daarin eerst aardappelen gepoot, toen rogge gezaaid, en zijn onkosten waren f 60,- en f 50,-, samen dus f 110,-. Nu echter ontvangt hij jaarlijks f 25,- huur voor die grond waardoor hij al binnen enkele jaren winst kan verwachten. Zo liggen er nog honderden bunders bloot waar niets aan wordt gedaan. Er zijn gewoon te weinig eigenaren in verhouding tot de eigendommen, de streek is niet bewoond genoeg. Berends heeft zijn hoop gevestigd op de Nederlandsche Heide-Maatschappij, doch die werkt meer op de heidegronden, wat een ondankbare arbeid is. Hij weet zeker dat de dalgronden meer zouden opleveren. Maar een lid van de commissie werpt hem tegen dat in Friesland het in cultuur brengen van dalgronden juist minder rendabel is dan het ontginnen van heidegronden. Berends wijt dat aan het grote bodemverschil, in Friesland is er zwart veen, hier is grauw veen. ”Wij behoeven hier geen water”, zegt hij, dat zit al genoeg in de grond. De ondervinding leert dat de aardappelen ”bij ons” best zijn, ”niettegenstaande ze op de lage gronden en de kleigronden heel slecht zijn”. Bovendien is het gebied hier doorsneden met kanalen, zodat de grond geschikt is voor cultuur. ”Het is hier alleen gebrek aan kapitaal”. De gronden behoren dus vooral toe aan grote eigenaren. Verscheidenen van hen hebben 500 à 700 bunder. Maar die eigenaren vervenen nog, en daarin hebben ze nu nog hun kapitaal geïnvesteerd.

 

         4. Twee fabrikanten

Trip: een kalkfabrikant

Jan Laurens Trip had behalve verschillende bestuurlijke functies ook, zoals reeds bleek, de directie in handen van een vervenerij en een kalkfabriek. Als eigenaar van de kalkfabriek werd hij door de commissie gehoord. Hij houdt in z’n kalkbranderij zo’n twintig man aan het werk. In de fabriek wordt het gehele jaar door gearbeid. De werktijden zijn ’s zomers van zonsopgang tot zonsondergang, dat wil zeggen van half zes tot zeven uur ’s avonds, met twee uur schaft. ’s Winters, als het veel korter licht is, werkt men van acht uur ’s morgens tot vier uur ’s middags, met een totale onderbreking van anderhalf uur, waarvan één uur tussen de middag wordt genoten. Niemand gaat tussen de middag overigens naar huis, allen blijven op de fabriek. In een lokaaltje aldaar kunnen de arbeiders hun meegebrachte boterham eten, en ’s avonds eten ze warm met de vrouw.

Trip legt uit dat de lonen zo worden berekend dat de arbeiders per dag f l,- kunnen verdienen. Boven hen staat de baas, die wat extra verdient. Maar, zo blijkt nadat de commissie doorvraagt, die f l,- wordt alleen ’s zomers verdient, ’s winters verdienen ze ongeveer vijftig cent per dag. In de fabriek werken alleen volwassen mannen.

”Soms”, vertelt Trip, ”is er wel overleg tussen beide groepen van werkgevers en arbeiders. Onlangs nog werd door de arbeiders geklaagd over het schepenladen in graverstijd. Toen is het jongere geslacht van 17 en 18 jaar, dat voormaals minder kreeg, opgenomen in het volle loon van de volwassen arbeiders”. Zo werd door de werkgevers staande een vergadering besloten. Het schepenladen, dat door de schippers wordt betaald, is ”toch een hoog loon”, maar minder dan het loon dat met graven wordt verdiend. Het vaste volk is verplicht daaraan mee te werken. Dat werk doen ”de binnenlanders”, waarvoor ze een extra-vergoeding krijgen. Toch zijn de arbeiders daarmee nog niet tevreden.

 

Gewenst: landbouwgrond

Vele verveners kunnen de mensen geen landwerk geven omdat er zo weinig afgegraven veen-grond in cultuur is gebracht. Daarom, zo betoogt Trip net als eerder al Berend Bcrends, ”zou ik meenen, dat eene hoogst wenschelijke zaak ware, dat de maatschappij, die in het leven is geroepen om te kulti-veeren (de Nederlandsche Heide-Maatschappij) die heiden en onmogelijke streken liet varen en trok naar de als van nature aangewezen veengronden, doorsneden met wijken of kanalen, dus met gelegenheid tot aanvoer van mest”. De Heide-Maatschappij zou dus het accent van de ontginning van woeste gronden moeten verleggen naar het in landbouwgebied herscheppen van de afgeveende gronden. Dat zou zeer gunstig zijn voor de arbeiders in voor- en najaar. Ook zijn er hier gronden die bevloeid zouden kunnen worden. Trip denkt dat de eigenaars die gronden wel voor een billijke prijs willen afstaan. Het zou ook zeer zeker goed zijn als de gemeenten dergelijke gronden zouden aankopen, zo bevestigt hij een suggestie in deze van de commissie, teneinde werk te verschaffen ter vervanging van bedelarij, maar, voegt hij eraan toe: ”Het is haast niet denkbaar omdat de meeste gemeenten te arm zijn”.

 

Minke jr: briketten uit turf en houtskool

Naast een kalkfabrikant is er in Avereest ook een werkgever die zich bezighoudt met de vervaardiging van briketten uit turf en houtskool. Het is de nog jonge Bernardus Martinus Minke, 24 jaar oud en lid van de firma Minke en Kappers te Dedemsvaart. De jeugdige brikettenfabrikant werkt wel met stoom, ”ofschoon de persen handwerk zijn”. Voor de commissie geeft Minke een uiteenzetting van het fabricageproces. De turf wordt aan bulten gezet en gebrand, op dezelfde wijzezoals dat in Westfalen geschiedt met het hout. Na gebrand te zijn worden de restanten onder doofpotten gezet, ”dat zijn groote blikken trommels om de lucht af te sluiten. Daaronder staan zij eenige dagen, daarna wordt het zand er uitgezeefd en vervolgens komen zij in een molen, waar zij vermengd worden met andere specie en kalkdeelen. Daarna, tot deeg gemaakt zijnde, wordt het geperst en eindelijk als briquetten verkocht”. De stoomkracht wordt gebruikt om een molen in beweging te brengen.

Soms, als de kolen erg droog zijn, ontwikkelt zich wel veel stof, maar normaal gebeurt dat niet. Het werk bij de gloeiende turf is niet warm, het staat onder het zand, het vuur wordt zo gedempt. Minke heeft negen werklieden in dienst, inclusief de baas. Het meeste werkvolk komt uit de buurt, het zijn vaak kinderen van veenarbeiders en boerenarbeiders.

Men werkt het gehele jaar door, ook ’s winters, mits het weer het toelaat. ’s Nachts is alleen de stoker in de fabriek aanwezig. Die stoker is nu een meesterschoenmaker die niet voldoende werk heeft. Twee mannen zijn er voor het branden, om, als het druk is, elkaar af te lossen. Er wordt gewerkt van ’s morgens zes tot ’s avonds zeven uur, en ’s winters gaan wij met de zon op en neder”. Minke benadrukt dat hij het ”heel goed” met het werkvolk kan vinden.

 

Geschikt werkvolk in overvloed aanwezig

Wat wordt er nu in de brikettenfabriek verdiend? De persers hebben aangenomen werk per stuk dat betaald wordt niet f 0,80 à f 1,10, de branders daarentegen hebben vast geld, te weten f 6,- per week en de jongens ”naar gelang de dag gemaakt wordt”.

Ook Minke heeft net als Trip alleen volwassen werklieden in dienst. De jongens die de briketten in de ovens plaatsen zijn zeventien à achttien jaar. Er is ”in overvloed” geschikt werkvolk. Een speciale voorbereiding om het vak te leren is niet nodig, ”het is alleen een quaestie van handigheid”. De briketten zijn voor de jongens niet echt zwaar, ”ik denk dat zij, als ze nat zijn, misschien een oud pond wegen, en meer dan 20 brengen zij er niet weg”. Dat wegbrengen gebeurt over een afstand van tien meter. Maar, vraagt de commissie, is die stof nu niet nadelig voor de werklieden? Nou nee, denkt Minke, ”zij merken er weinig van. Er is een zeer grote schoorsteenmantel, met een lange pijp er op, waardoor het stof naar boven trekt. Bij harden wind vliegt het stof echter wel eens door de fabriek heen”. Dan informeert de commissie of Minke’s arbeiders lid van het ziekenfonds zijn en of de firma iets doet voor mensen die ziek zijn? Minke: ”Als zij zich niet redden kunnen, krijgen zij een weinig onderstand, maar er bestaat geen bepaalde regel voor”.     (wordt vervolgd)

 

Jan H. Kompagnie (copyright 1993)

 

INGEZONDIEN.

Voor eenige dagen word aan de ondergeteekenden medegedeeld , dat door Heeren Verveners van Dedemsvaart, Lutten en de Krim, ten huize van den Hotelhouder Lucas Steenbergen alhier, eene vergadering is gehouden, waarin o.a. met algemeene stemmen besloten werd, als maatregel ter bestrijding van het misbruik van sterken drank, de schippers te verbieden, onder het laden van de schepen aan de arbeiders jenever te schenken, doch de schippers zullen daarvoor in plaats aan de arbeiders eene geldelijke tegemoetkoming verstrekken. Om dat doel te bereiken zal een adres worden opgezonden aan heeren Gedeputeerde Staten van deze provincie, houdende verzoek afschaffing van de tapperijen aan de sluizen op de Dedemsvaart.

Wij zouden ons dan ook zeer goed met dat besluit, kunnen vereenigen, wanneer wij niet overtuigd waren, dat geen der schippers zich door een verveener zal laten dwingen tot een daad die de heeren Verveeners even zoo wel zal mislukken als voor circa 40 jaren, toen ook eenige verveeners tot zulk een dwaas besluit besloten,  dat ook even spoedig den bodem ingeslagen werd. Want immers, het is diegene, die met de verstandhouding van de schippers tegenover de arbeiders eenigzins op de hoogte is, zeer goed bewust, dat het gebruik (van misbruik behoeft hier geen sprake te zijn) nimmer uit den weg zal geruimd worden, door een uitgevaardigd dwangbevel  dat ten gevolge zal hebben, dat de arbeiders met hunne verkregen geldelijke uitkering, zich naar een winkelier te de Krim , waar sterken drank verkocht wordt zullen begeven, om aldaar na moeilijken en zwaren volbragten dagarbeid, zich onder het genot van een borreltje, een oogenblik te verlustigen, 't geen hun toch waarlijk niet te misgunnen is; - en waarvan de tappers te de Krim natuurlijk het meest zullen profiteren.

Doch thans ter zake:  De vraag moet nu gedaan worden, wat moet de sluiswachter als huurder of pachter van een schutsluis, wanneer heeren Gedeputeerde Staten dezer provincie eens mogten besluiten aan het verzoek der Verveeners gehoor te geven, en waaruit zou de jaarlijksche hooge pachtsom moeten verhaald worden, daar toch den verkoop van sterken drank aan de sluiswach-ters is toegestaan, op welke vergunning dan ook wel degelijk bij eene verpachting wordt gerekend.

Indien heeren Gedeputeerde Staten ter eeniger tijd mogten overgaan om den drankverkoop, of

het houden van tappperij  aan de sluizen op te heffen, en de sluiswachters als ambtenaren onder toekenning van behoorlijk salaris aan te stellen, dan zou deze handeling naar ons bescheiden oordeel, er veel toe kunnen bijdragen, dat het boven omschreven besluit van Verveeners de gewenschte gevolgen zal kunnen erlangen.

 

Dedemsvaart, 29 Januari 1880.

Jan Haveman

Evert Haveman

beide Sluiswachters te Dedemsvaart.

 

Ga terug