DE BELONING VAN INWONEND PERSONEEL

 

De beloning van inwonend personeel op een boerderij te Den Huizen, Oud-Avereest, in de vorige eeuw (1840- 1885.)

 

De bewaarlust van mijn moeder (Margje Huizing) en de door mij van haar overgeërfde zelfde bewaarlust, heeft het mij mogelijk gemaakt dit artikel te schrijven op basis van de beschikbare originele schriftelijke gegevens. In dit verband moet ik één persoon direct voorop stellen en wel mijn overgrootvader Jan Albert Huizing, die in de vorige eeuw interessante gegevens schriftelijk heeft vastgelegd betreffende mijn geboorte-boerderij in Den Huizen. Ter vervanging van de “versleten” oude boerderij  is in 1811 de thans aanwezige boerderij herbouwd en nu in het bezit van het Overijssels Landschap. Het bouwjaar  1811 kan men nog aflezen op vier muurankers op de buitenkant van de achtermuur van de boerderij. Jan Albert Huizing was in 1811 acht jaar oud. Hij is in Den Huizen geboren, op 15 maart 1803, en daar overleden op 17 augustus 1875. Hij was getrouwd met Klaasje Oosting, stammend uit een bekend Drents boerengeslacht uit de gemeente De Wijk. De oudste zoon, Koop Huizing (mijn grootvader) is zijn vader, na diens overlijden in 1875,opgevolgd als boer op Den Huizen. Koop Huizing is geboren op 8 november 1843 en overleden op 12 maart 1907. Hij was getrouwd met Klaziena Eemten, een boerendochter, geboren in de gemeente De WIijk. In mannelijke lijn is het geslacht Eemten thans bijna uitgestorven. Koop en Klaziena hadden twee dochters (Klaasje en Margje), maar geen zoon. Na de plotselinge dood van mijn , grootvader Koop Huizing is mijn vader Johannes Grootenhuis zo spoedig mogelijk getrouwd met mijn moeder Margje Huizing en heeft hij rond veertien jaar de boerenscepter gezwaaid op Den Huizen. In die tijd kwam de Coöperatieve aan- en verkoopvereniging in Balkbrug op gang, alsook de Coöperatieve Raiffeisenbank.

Van eerstgenoemde instelling werd vader zaakvoerder (later directeur genoemd) en tevens kassier van de Raiffeisenbank in Balkbrug. Vrij spoedig bleek dat de nieuwe funkties en boer blijven niet goed uitvoerbaar waren. Eerst is nog getracht toch boer te blijven op een kleinere boerderij nabij Sluis V in Balkbrug (boerderij afkomstig van mijn vaders vader). De explosieve groei van beide coöperaties heeft tot gevolg gehad, dat vader “boeraf” werd. De boerderij in Den Huizen was reeds verpacht (fam. H. Dragt) en die in Balkbrug werd verpacht aan de familie D. van Eldik. Ik moet zo ongeveer vijf jaar oud zijn geweest toen mijn ouders, beide zusters en ik bij Sluis V kwamen te wonen.

 

De buurtschap Den Huizen vanuit de lucht.

 

In 1839 is Jan Albert Huizing begonnen met het op schrift stellen van diverse administratieve gegevens per jaar van de boerderij in Den Huizen. Die gegevens heeft hij in een drietal schriften vastgelegd. Alleen de achterste helft van het derde schrift is na 1875 geschreven door mijn grootvader Koop Huizing, die helaas veel minder opschreef dan zijn vader. Bij het bestuderen van de schriften bleek het mogelijk een bijna volledig overzicht te maken van de namen van de inwonende knechten en meiden in Den Huizen, vanaf 1840 tot 1885 en wat deze mensen verdiend hebben, zowel in geld als goederen. Bedacht moet worden, dat het hebben van gratis kost en inwoning in die tijd wel belangrijk was, gezien de armoede, die toen heel wat mensen kenden, ook in de vorm van honger.
De inwonende knecht sliep 's nachts op het knechtenkamertje, op de hilde, boven de koeien. De inwonende dienstmeid sliep in één van de bedsteden in de grote woonkamer-keuken. De verdiensten in goederen bestonden voor de knecht uit één of twee paar nieuwe schoenen, één of twee paar nieuwe klompen, meestal een viertal linnen hemden en een bepaald aantal ellen stof van de rol om kleren van te laten maken. Voor het maken van die kleren kwam de kleermaker (snijder genoemd) op de boerderij zijn werk doen en genoot dan gratis de kost.
De dienstmeiden kregen een zeker kwantum schapenwol (van de eigen schapen van de boerderij), die ze zelf moesten spinnen. Ze kregen ook nieuwe schoenen, klompen en hemden, alsmede stof van de rol voor het laten maken van kleren. De beloning werd elk jaar na onderling overleg overeengekomen. Er was dus een soort eenjarig arbeidscontract, dat liep van Allerheiligen tot Allerheiligen (1 november) ; een enkele keer van 1 mei tot 1 mei.

 

J.A. Grotenhuis

 

Ga terug