DE KLANTEN VAN DE GRUTTER  (11)

 

Beroepskeuze.

 

Hallo Herman,

Ik ben al vroeg met de politie in aanraking gekomen. Dertien jaar was ik. Het gebeurde in de maand januari 1930, op een zaterdagmiddag. ’t Is frappant dat die ontmoeting plaatsvond vlak voor de woning van de rijksveldwachter. Ik had juist bij de voordeur een mandje met boodschappen afgegeven aan de vrouw des huizes en haastte mij over het grintpad terug naar de straatweg. Daar zag ik ze staan, bij mijn transsportfiets. Twee marechaussees. Groot en massief. Heel indrukwekkend in hun prachtige blauwe uniform, pistool opzij, klewang aan de fiets. Net een plaatje. Ik kon m'n ogen d'r niet van afhouden. Ze wilden van alles weten. Eerst vroegen ze naar mijn naam en toen naar mijn leeftijd. En of ik in loondienst was. Bij wie. Hoe lang ik daar al werkte. En wat ik verdiende.

 

Een ansichtkaart, die gestempeld is in 1912. Links de kruidenierszaak waar Hermanus

van Eldik werkte.

 

"Rijksdaalder in de week", zei ik trots. Toen kon ik verder gaan. De marechaussees hadden, zoals ik later vernam, onmiddellijk mijn baas opgezocht en hem een proces-verbaal gegeven. “Personeel in dienst beneden de leeftijd van veertien jaar" luidde de beschuldiging. Mijn baas had zich beroepen op onwetendheid, maar dat baatte hem niet. "Een ieder wordt geacht de wet te kennen", was hem te verstaan gegeven. Hij moest zich maar voor de kantonrechter verantwoorden en rekenen op een fikse geldboete. Ook voor mij had deze affaire ingrijpende gevolgen. Ik mocht natuurlijk niet meer in de zaak werken. Daar waren de baas en ik niet erg gelukkig mee. Maar hij (mijn baas) had er al gauw wat op gevonden. Hij besliste, dat ik gewoon kon blijven komen. Ik mocht dan weliswaar niet met de fiets de weg op, want dat zou teveel in de gaten lopen; maar er was binnen de muren van het bedrijf vanzelfsprekend genoeg te doen. lk zou dus een aantal maanden binnen moeten blijven, totdat ik veertien werd. Gedurende die tijd kon ik mij met allerlei bezigheden terdege nuttig maken in de grote ruimten achter de winkel en op zolder. Af en toe stond ik echter ook wel in de winkel achter de toonbank om de klanten te helpen. Behalve de weegschaal en de dubbeltjes hield ik daarbij de winkeldeur goed in het oog. Zag ik (wat verschillende keren is gebeurd) de gemeente of de rijksveldwachter binnenkomen dan dook ik bliksemsnel onder de toonbank. Tussen de zoutbak en de sodabak. 't Ging altijd goed en zo bereikten we (de baas en ik) verder ongeschonden de datum waarop ik weer frank en vrij elke week mijn wielerzesdaagse kon beleven. Mijn eerste ontmoeting met de Marechaussee had echter wel zoveel in mij teweeg gebracht, dat vanaf die tijd voor mij de keuze van mijn latere beroep vaststond.

En zo Herman, is dus alles nog op z'n pootjes terecht gekomen. Ja jongen, 't kan soms raar lopen in de wereld.

 

Groeten en tot ziens,

Opa.

Amsterdam, december 1991.

 

Naschrift

Herman van Eldik is dus begonnen als loopjongen, maar goed kunnende fietsen. Uiteindelijk werd hij gepensioneerd als adjudant van de Rijksmarechaussee te Amsterdam.

We hebben zijn belevenissen als kruideniersbediende kunnen volgen aan de hand van brieven aan zijn kleinzoon. Zo is er weer een klein beetje van vroeger bewaard gebleven. Mijn dank gaat uit naar de broers en zusters van Herman, die ik nogal eens gebeld heb om raad en ook naar Jan Wassens, die mij op het bestaan van deze brieven wees.

Hermanus van Eldik werd gcboren op 6 mei 1916 te Avereest. In 1995 is hij overleden te Sleen.

 

Jan Nijensikkens

 

 

 

 

Ga terug